is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grijselijke eenzaamheid van een verbroken continuïteit... van een losgeslagen zijn van het vorige en het volgende... beseft, sluit zich de keten weer aaneen. Tusschen wat was en wat komen zal voelt hij het „nu" weer ingeschakeld en herkent het weer: de kamer... de zon... het plein met de linden... Heerenhaghen... het stadhuis... de burgemeester... ik.

Ik. Tusschen al die bekendheden lijkt ook „ik" weer iets bekends. Ik ging door de zon. Ik reed door de zon. Ik moest al sneller rijden. Er was weer dat afgrijselijke, dat me ziek maakt. Te veel licht... te veel zon... de bladeren komen aan de boomen. De menschen noemen dat mooi... de lente... het leven. Het leven maakt mij ziek. Het ruikt naar bloed. Dat kan natuurlijk niet. Toch is het zoo. Er zijn dagen, dat het heele leven naar bloed ruikt... naar bloed stinkt... Bah! Het moest altijd nacht zijn. Maar ik moet hiervan tegen niemand spreken... In ieder geval wil ik die vervloekte zon hier in de kamer niet hebben...

Zijn lange, lichte gestalte maakt zich wat wankelend los van het deurpaneel. Met jachtige handen laat hij voor beide ramen de donkergroene lancasters neer. De kamer ligt nu in een groenig schemerlicht. De burgemeester zet zich in den stoe1 voor het volkomen leege bureau. Hij sluit de oogen. Hij voelt zich moe... ten doode toe vermoeid van dit geweld van licht en leven, dat op dezen lentedag over hem heen is gegaan.

Men had hem bij zijn geboorte die fraai klinkende namenreeks meegegeven: Arthur Laurens Rudolf Marie. En den titel: baron Haerlant van Heerenhaghen. Daar kwam dan nog dat