is toegevoegd aan uw favorieten.

Tooverlantaarn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan is er nu de dag van Floortjes komst in Heerenhaghen. Het is een zondag tegen het eind van Juni. De linden bloeien. Van de geelgroene trosjes, die zacht bengelend als kleine, bleek-gouden bellen in de kruinen van de boomen hangen, stroomt een hevig zoete geur uit. En het is als een overweldiging van zoeten lust en bloeiend leven die komt over de oude stad. Waar is het zachte sprookje van stilstand en verstorvenheid ... van droom, die buiten de beweeglijkheid van het leven stond? Het is niet meer. Het wordt tenminste niet meer vernomen. Die andere, krachtiger melodie van lust en leven... van zoetheid ongekend... overtoont geheel en al de zacht murmelende, eeuwenoude sprookjesstem, die den droom bevestigde en het leven ontkende.

Het is er wel... het leven. Het is er zoet en overstroomend. Het is in alle hoeken en verborgenheden van de kleine stad, die het gevangen houdt tusschen muren en wallen en het zoo samenperst... verhevigt... tot een intensiteit van zoetheid, die bijna stijgt tot koorts.

Zoet geuren de bloeiende linden. Nergens kan de geur der linden zoo intens zoet zijn... zoo hartveroverend zoet... als binnen de wallen en muren van die kleine stad Heerenhaghen, waar ze met zoo velen zijn, de linden, dat tijdens die korte periode van htm bloei de geheele stad aan hen is... van hen... onderworpen aan die machtige zee van zoetheid en wellust, die uitstroomt van de bleekgele bloemtrosjes, bengelend als kleine, matgouden bellen in de dichtbelooverde kruinen. Bellen, die geur zingen inplaats van klank.

En nu komt door den stillen schemeravond, windstil en alleen bewogen naar het schijnt door het eigenmachtig af en