is toegevoegd aan uw favorieten.

Een martelaarskroon voor Joris Praet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denken. Zij zat geen oogenblik stil; zij kneep haar handen samen en opende ze weer, met een spreiding der vingers, alsof die uit een schroef kwamen, en zij schoof aan haar trouwring, het magere kootje op en neer, niet verder, niet over het gewrichtje heen. Zij had ook een manier om de armen over haar borst te kruisen met een spanning der spieren, alsof zij een schrikkelijke pijn daarbinnen nog beheerschen wilde, zonder schreeuwen. Zij was dóódsimpel gekleed en haar figuur was vormloos en uitgezakt.

Josine Praet had een zachte, gevoileerde stem; daarmede begon zij aan een zakelijk relaas. Zij vroeg aan Stephanie, of men thuis wel eens iets over haar verteld had. En toen Stephanie naar waarheid van neen zeide, antwoordde haar tante kalm: „Nu, dan zal ik het je wel zeggen. Je bent het kind van Anna, je staat mij na. Aldoor dacht ik: je bent nog rijkelijk jong om te begrijpen. Maar nu begrijp je mij wel, hè Steefje, jij lijkt mij zoo'n verstandig meisje."

Even keek Stephanie op bij ’t hooren dezer afkorting. Maar zij wist, dat haar oom bij ’t noemen zijner gestorven zusters ook altijd van Leentje en Steefje sprak. Het was dus, dat tante Josine een naam uit haar eigen jeugd noemde.

„Ik zal bij 't begin beginnen," zei Josine Praet. „Je kimt het beter van mijzelf hooren. 't Is wel, dat ik slecht geweest ben, maar ik heb ook zoo vreeselijk geboet. Ze zeiden: „Josine Praet, die wou met alle geweld een Roomschen jongen; ze was gek, ze was niet te houden; nu, ze heeft hem gekregen ook.” ’t Is een schandaal geworden, Steefje, de Putterstraat heeft er van overeind gestaan en er zijn nog menschen over geweest, vrienden van 't Réveil, die grootpapa Meylof gekend hadden, expres om met mij te praten. Maar ik maalde nogal om praten... Ik ben dadelijk Roomsch geworden, anders mocht het niet voor de Smitsen en Ferdinand zelf had anders ook niet gewild. Al de kinderen zijn natuurlijk Roomsch gedoopt en Roomsch opgevoed; door mijn man dan, niet door mij. Nu heeft de Protestantsche familie mij dood verklaard, dat spreekt als een boek. En dat moet ook maar; als je je geloof verloochent, dan moet je hebben wat er bij staat.”