is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouw Wedzieg. „Mijn man komt zoo ongeveer om de andere dag bij Crijna, het zal toch niet in mijn hoofd opkomen . . ze maakt het niet af, ze lacht weer, een ronde sterke vroolijke lach is dat. Hij werkt aanstekelijk: gegichel, geschater, een uitroep, vroolijkheid. En Annette zegt weer van vlakbij en dringend: „O dus, heeren die uitsluitend over Oxford en Oxford-belangen met je praten, over Oxford-belangen . . .?" Taco vergeet dat hij in de muurkast staat. Hij peutert in zijn spanning aan een naad in de planken. Hij wringt een of ander ding om en om — een ding aan een muurhaak naast hem. „Wat nou?, wat nou verder?", denkt hij. Er is een vaag gerinkel achter de wand: porselein, glas. „Alsublieft", zegt Catrientje. Een deur wordt dicht gedrukt. Ilse Look gaat op het onderwerp door. „Oxford! Dat acht u dus een vrijbrief? Als iemand over Oxford komt praten, is het in orde?", een hard tsjilpgeluid: ze lacht. „Komen er alleen Oxfordters bij je, Crijna?, en ben je dan safe?" Stilte. Een ingehouden lach. Afgebroken gefluister. „Niet uitsluitend Oxfordters", bekent Crijna, „ook anderen — meestal anderen." Er valt iets om. Er is een scherp gefluister. Iemand zegt hard: „Wat?" Imkje gichelt: „De bakker?, de — man van het dooienfonds ?" Er blijft een stilte hangen. Er wacht iets in die stilte. „Anderen", herhaalt Crijna. Taco trekt in zijn agitatie een hanglus kapot. Er glijdt iets langs zijn been. Hij kijkt maar vluchtig opzij, hij luistert scherp. „Heeft Marjolein Artzenius geen af bericht gestuurd?, is die lange mijnheer nog op de pastorie?", vraagt Annette wat onzeker, „wie is dat toch? Marjolein liep er laatst mee op de Vesting, ze plukten madeliefjes."