is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hè . . .?", zegt Taco Solwerda, „ik . . Hij ziet de twee jongens, Us en Thieu, zoo als ze waren, een poos terug: onhebbelijk, brutaal. „Ja", heeft hij eenmaal gedacht, „kinderen van Anne-Cris!" Hij ziet de twee kinderen zooals ze nu zijn, gewilliger, behoorlijker. „Ja", heeft hij al een paar maal gedacht, „toch kinderen van mij . .. Anne-Cris was er altijd al, nu komt ze duidelijker naar voren, haast al te duidelijk. Taco gooit zich om op zijn zij. „God, dat hèb ik al zoo vaak bedacht . . . wat helpt het?" En die jonge Anne-Cris van vroeger blijft toch héél dicht bij hem staan: gaaf, simpel, een kinderlijk meisje met twee lange vlechten. En alles aan haar zegt: „Ik hou van je, Taco." Eén seconde later — dan staat die andere Anne-Cris er al, de andere die bleeker wordt en vervalt, die halsstarrig opgewekt doet, die bij de kinderen zingt, ook als de kinderen stil zijn. „Toen ging ik al naar Crijna", denkt Taco, en weer gooit hij zich om. Hij heeft er al zoo vaak aan gedacht. „Wat moet ik daar mee?" Hij herhaalt het, en het blijft stokken. Dan gaat hij plotseling overeind zitten. Er valt hem toch nog wat nieuws in — een nieuwe gedachte: „Heb ik er ooit over gesproken met Anne-Cris, als over iets dat me bezwaart?, als over een schuld?" Hij knaagt weer op zijn lippen. „Nee, dat is nooit in mij opgekomen. Daar heb ik nooit over gepraat met haar. Ik heb het wel die nacht-in-bed over mijn eenzaamheid gehad en over mijn bedorven leven. Maar niet over haar eenzaamheid, niet over alles wat ik voor haar bedierf. Ik voelde mij stukken beter. Hoe kwam het eigenlijk dat ik me zoo veel beter voelde? Zij werkte die rare intrige uit met Weigel Altenstadt en Cobie Savrij — ik ging in het