is toegevoegd aan uw favorieten.

Bruggenbouwers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steen." Hij maakt de sluiting vast aan haar pols. „Wat dacht je daarvan?, past precies, heidensch sieraad — niet?" Hij hoort maar half wat ze zegt. „Veel te erg, het is veel te erg — wat aardig", haar stem blijft er mat bij. „Veronal?", denkt hij, het woord gaat als een verwensching door zijn hoofd. „Och nee, dan allonal natuurlijk, maar — midden op de dag . . .?" Ietwat verbluft let hij op haar. Ze bekijkt de armband van dichtbij, een beetje zonderling-aanhalig, zoo of elke kleine glans en elk miniatuur-krulletje haar iets te zeggen heeft. Er is ook een luisterende trek op haar gezicht, en aan haar mond komt het begin van een glimlach: het is of ze vaag en uit de verte aangename dingen hoort. Maar nu ze haar gezicht zoo dicht bij dat breede opvallende sieraad brengt, lijkt het nog valer en pipscher dan daareven, de oogleden paarser, de mond met de lange zij-lijnen ouelijker. Het moois dat hij zoo zorgvuldig voor Anne-Cris gekocht heeft bij Mitske, past toch niet goed meer bij haar. Hij moet er van zuchten. „Alle joden — ja, het ding hoort bij een karmijnen mond en bloedroode nagels." Thieu zegt opnieuw in zijn gedachten : „Maar Moeder is — nou, het kan niks schelen, maar het is toch niet meer zoo'n mooie Moeder als eerst." Hij ademt diep in verbazing. „Ja — waarachtig, zelfs met zoo'n kleinigheid komt het uit . . . Dat zoo'n jongen dat al in de gaten gehad heeft . . ." Iets in hem wil daar liever niet op doorgaan. „De misère van de laatste tijd moet haar toch geweldig aangepakt hebben, geweldig . . ." Hij bedenkt ook nog iets anders. Maar deze Anne-Cris heeft al-door dringend en aandachtig en onderzoekend naar hem opgekeken, is hem tegemoet