is toegevoegd aan uw favorieten.

De koets

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen geven. Eenmaal heeft hij, in den avond, een porceleinen fluit hooren bespelen, een witte fluit met blommen. Heel anders klonk dat dan zijn fluitje \ an wilgenbast. Waarom dacht hij aan waterdroppels telkens als hij zich dat geluid voor den geest haalde? Maar later, toen de vogels weerom kwamen uit de warme landen, hoorde hij in 't slaan van den tureluur de porceleinen fluit weerom. Nu vergelijkt hij de fluit niet meer met water, hij denkt aan trillende vogelbekjes. Aan den gelen wiewouw vooral.

De gele wiewouw woonde in een van de canada s bij de kooi. Door die ijle boomen zag hij 's winters altijd de zon opgaan, achter den toren van IJsselstein vandaan. En hij zal de gele wiewouw wel nooit gezien hebben in de lente, wijl hij dan tegen de zon had moet staren. Maar van het krachtige lied des morgens ontwakend, schoof altijd die fluit voor zijn verbeelding. Een altijd ander lied, altijd dezelfde witte porceleinen fluit. Ik denk, ik zou ook altijd een eender lied fluiten op zulk een fluit. Niet het breede statige maar korte lied van den wiewouw, niet het helle muziekje van den karekiet, maar een lied van eigen vinding. Een menschenlied. Een altijd eender lied, maar toch telkens anders, gelijk ook — als je maar heel goed luistert — iedere slag van

alle vogels anders is.

In dien zomer heeft Maarten zóó fel verlangd, ooit nog eens zoo'n klaar-klinkende porceleinen fluit te mogen hebben, dat hij er ziek van werd toen het wilgenblad begon te verkleuren, 't Was, of dat verlangen hem van binnen hol maakte, zijn mond was ook zoo droog. En hij groeide zoo ontaard, daarom werd hij