is toegevoegd aan je favorieten.

De kinderen van Jan Valentijn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KEET MET DEN KOFFIEMOLEN.

Fred was intusschen voortgegaan in zijn road* ster en had de bende maar weer eens uit het oog verloren. Bram scharrelde zijn passagiers bijeen en stapelde ze weer in den wagen.

Bij den ingang van het bosch vonden ze Fred wachtende.

„Wat is er nou weer gebeurd?’’ vroeg hij. „Weer een band gesprongen?”

„Nee, ’t paard had een hoefijzer verloren,” schertste Piet Merkel. „Als het jou hetzelfde is, rijd ik met jou terug naar Rotterdam, want ik heb een been in mijn knie van ’t kromzitten.”

Op een stil plekje in ’t bosch werd halt gehouden en stapten ze uit. Jan Spander haalde het verfblik je te voorschijn en noodigde allen uit een opschrift te bedenken. Hijzelf gaf het voorbeeld door met sierlijke letters op een der deurtjes te schilderen: „Breekbaar.” Toen kwamen de anderen aan de beurt. Bram wist geen beteren naam voor zijn beminde kar te verzinnen dan „Mijn Lieveling”, terwijl Jo Lintman erbij voegde: „Arm maar eerlijk.”

En zoo hadden ze allemaal iets verschillends. De kar zag eruit als een reclamewagen voor onzin. De pret van het opschilderen der namen duurde wel een uur en toen steeg het gezelschap weer in. Ofschoon ze ruimschoots voedsel hadden meegebracht, en niemand hongerig was, had geen hunner aan dorst gedacht en zoo besloten ze dan de eerste de beste melksalon op te zoeken.

Ze vonden er een aan de Keizerstraat. De wagen lieten ze voor de deur staan en het dozijn avonturiers zeilde naar binnen. Jan Spander, die maar steeds zijn saxophoon onder den arm meesjouwde, trok Jo Lintman mee naar een