is toegevoegd aan uw favorieten.

Proza, 1837-1845

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Een M ie re vel (11, een Schalken," viel Van Oudenhove in, of er een vreemde voor stilstond.

„Minder om der meesters wille, papa! dan om dien der mannen, welke zij schilderden, dan om onze betrekking. —" „Het waren ook vader en zoon, Hendrik!''

„Maar die in omgekeerde verhouding tot elkander stonden, als wij, papa! in omgekeerde verhouding, als ik ten minste gaarne staan zou,'' en een vlugtig rood tintte de wangen des jongelings voor een oogenblik, en met bewogene stem voer hij voort: „Die goede grijsaard, van wien onze opkomst dagteekent

„Mis, Hein, mis! de \ an Oudenhove's waren schildknapen van grave Floris in de Xl'ie eeuw!"'

„Doch die afkomst is zoo zonneklaar niet te bewijzen, papa, als dat Hendrik Jansz. van »Hidenhove in het begin der zeventiende eeuw, maar een bemiddeld burger was, die op het Water woonde, in het huis, dat de drie leliën in den gevel had, en in de wandeling het Schild van Frankrijk heette: — wiens vader het nieuwe geloof was toegedaan geweest, en die er met dezen velerlei vervolging voor had geleOn, — die aandeel nemen durfde in de uitrusting voor de vergeefsche togten om de Noord; — die vermogend werd door den goeden uitslag der Compagnie van verre: — die tot bewindhebber der Oostindische werd verkozen; —■ die op het kussen kwam en die hart in het lijf had, om in den raad zijne meening te zeggen, prins Maurits mogt zuur zien of niet.'

„Het Huis van Oranje moest niet vergeten, wie wij geweest zijn," zuchtte Van Oudenhove.

Intusschen rigtten zich de oogen van zijnen zoon. van de schilderij van Miereveldt, op welke het levenlustige hoofd van den goeden grijsaard tegen den donkeren achtergrond symbolisch uitkwam, naar die van Schalken. Op deze troft ge noch