is toegevoegd aan uw favorieten.

Studies

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Malscher en glanzender groende het gras; bloemen ontloken; vogels kwetterden en buitelden door de lucht.

Tusschen 't lange oeverriet aan de vaart verborg zij zich dan meestal, hurkte neêr op den grond, snikte. — Geheele uren kon ze zoo doorbrengen, soms even opgeschrikt door de schurende treklijn van een voorbijvarend schip. Maar nergens scheen ze rust te kunnen vinden. Overal, van alle kanten, suisde dezelfde hatelijke naam haar in de ooren: Joost

In Wemel kwam ze in't geheel niet meer, uit vrees van den gehaten man er te ontmoeten. Ze liet haar grootvader nu maar de noodige inkoopen doen, en voor het oude ventje was iedere gang naar het dorp een feest. Herhaaldelijk had ze hem in 't begin gesmeekt er toch niet meer heen te gaan, toch niet naar die smeerlappen in "Wemel te gaan, bij haar te blijven en de brug; — gedreigd had ze, getracht hem bij den arm terug te houden, hem bang te maken dat de Eijks-inspecteur al een paar dagen in den omtrek rondzwierf, dat hij straf

zou krijgen als hij niet op zijn post gevonden werd

niets baatte; hij had zich los gerukt, gedreigd haar te slaan. En iederen keer dat hij weer thuiskwam, had hij nieuwe berichten over Joost; Joost die z'n verandatje opgeverfd had en Joost die 'n nieuw soort jenever uit stad had laten komen En 't refrein, het immer tergend herhaald refrein: „Joost was gek van d'r, zoo gek als-d-i nog nooit van een meisje geweest was en Joost wou d'r trouwen"