Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huizen hadden, „que sub tali jure, quod wlgariter Wicgbelderecht dicitur, fuerint constitute," deze erfelijk zullen hebben. Vrij zullen zij overgaan op hunne erven: „ea heredibus eorum cedant libere et quiete. Reliqua vero, que habuerint ad veros dominos ipsorum devolvantur" '). In Kampen en Zwolle mocht geen heer van zijn eigenheden huis en erf nemen volgens de stadboeken s).

Dergelijke voorbeelden doen zich voor in Gelderland. De hoorige goederen worden daar wel niet alle gemaakt tot vrije tijnsgoederen, zooals wij een enkele maal zien gebeuren 3), maar voldoende was eene bepaling, die wij vinden in de stadsrechten van Wageningen en Nijkerk. Van de keurmedigen en andere hoorigen aldaar zal de heer bij sterfgeval mogen nemen „erffnisse van huisinge noch van wapen 4). In alle gevallen zien wij den regel bevestigd, dat de „fundus" der stad vrij is. Nergens zijn er sporen aan te wijzen, dat heerlijk grondbezit binnen de stad deze in hare vrije beweging belemmerd heeft, noch door den oorspronkelijken omvang deipachtsom, noch door eene opdrijving daarvan, noch doordat het iemand in zijne vrijheid aantastte.

Evenmin als de oorspronkelijke eigenaars van de hofsteden er prijs op stelden deze te behouden, gaven de steden blijk van groote begeerte, 0111 ze in bezit te krijgen 3). Evenmin de tot een zuiver

1) Weichbildrecht — oensus arealis: R. Sohröder, Rechtsgeschiohte, S. 624. De oorkonde bij Racer, Gedenkstukken, V, blz. 2I6 vlg. (1296).

'2) In Kampen: „Voertwer soelen volscbarige lude, oft si in onser stad woonden ende aflivicb werden, gheven al rorende guet ende tilbaer guet, mer al liues ende erve ende dat ertfast ende naghelvast is, dat sal binnen onser vriheit erven opt naeste lijf"; Roeok van Rechten, art. 24, blz. 11. Volscharigheid is een zwaarder vorm van hoorigheid dan keurmedigheid : Gulden Boeck, bl. 104.

In Zwolle: „Dat glieen here vau sinen horeghen luden ligghend erve noch businghe nemen mach, dat binnen onser stad gheleghen is": Stadboek, 1, Latere bepalingen, art. 24, blz. 48; 2e stadboek, art. 273, blz. 215 vlg. met tussclieuvoeging van „erfrentlie".

3) In Harderwijk doet dit de hertog met de hoorige goederen, die door de uitbreiding der vrijheid binnen het stadsgebied vallen: „Ende of bynnen dessen Cruyssen (de vredekruisen, die de grens der vrijheid aangaven) eens deels van hoerigen guede were, die hebben wij alle gevrydt tot Tynsguede", bij Schrassert, Herdervicum Antiquum, 1732, I, blz. 7 (1450).

4) Sliehtenhorst, blz. 580 (1263), 582 (1413).

5) Een enkele maal wel. In 1384 wordt de Diezer inarke bij de stadsvrijheid van Zwolle gevoegd door Floris van Wevelikhoven met deze beperking van do zijde des bisschops: „beholdelio ons ende onsen nacomelyngen bisseoppen Tutrecht alle onser rechter renthen, die in deser voirs. raarke gelegen sjjti ende eiker male der synre." Dit is blijkbaar een voorbehoud op wat voorafgaat, waarin de bisschop

zegt: (wij) „vrijen die marke to Dese in al alsulcker vryheit ende recht als

onse Stat van Zwolle gevryet is" (vgl. libertare in het stadsrecht van 1230). Doch dat deze renten de goederen tot onvrije stempelden, blijkt uit de oorkonde van 1404, volgens welke de bisschop deze renten aan de stad verkoopt en zegt, dat de goederen, waaruit zij gelieven werden, vrij zullen zjjn „van allen toeseggen, dair sjj ons ende onser kereken in weren verbonden ende soelen staeu tot suiker vryheit

Sluiten