Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest. Dit lag voorbij Maarsen '). Daarnaast had het evenwel een „tichelrie" bij de Catharinepoort, waarschijnlijk dat jaar voor het eerst'). Bovendien waren er nog andere tichelwerken, of liever zij kunnen er geweest zijn, maar deze moesten zich naar de stad richten in zooverre, dat zij geen kleiner steenen mochten afleveren dan „der stad vorme" 3). In de 15de eeuw is het bedrijf voor een deel verplaatst naar de Weerdpoort, waar twee ovens bij de Proost van St. Janswetering stonden 4). Daarnaast bestond evenwel nog het tichelwerk buiten St. Catharina poort5), totdat dit plaats moest maken voor de nieuwe steenbakkerijen, die daar tegen 1467 opgericht werden, evenals de overige staande in de stadsweide. Deze laatste behoorde sedert 1421 niet meer aan de stad, en zij moest het benoodigde land van de heeren van den Dom in erfpacht nemen 6).

Het best af waren de IJselsteden, die op haar rivieroevers ruimschoots gelegenheid vonden tichelwerken te plaatsen. De Cameraarsrekening van 1339 vermeldt in Deventer reeds een stedelijk „latifex" op de Marsch, die van 1353 ook een op de Teuge 7), die van 1355 een op de Weerd (Proostesweerd?)"). Het tichelwerk op de Weerd wordt in 1370 bouwvallig 9) en later treft men dan ook nog maar twee steenbakkerijen aan. Kampen had er eveneens twee, één naast de Korenmarkt en één op den Kruishoop, die reeds in 1324 verhuurd werden 10), terwijl er in Zutphen ook minstens drie geweest moeten zijn ").

Men zou nu denken, dat de stad bij voorkeur deze inrichtingen zelve exploiteerde. Dit deed dan ook Middelburg; de steenbakker kreeg zijn loon als stadswerkman, en een zeker bedrag voor

1) Cod. Dipl. Neerl. 1853, I, blz. 154 vlg.

2) 1b., blz. 118. Ze wordt dat jaar verhuurd. Er staan geen inkomsten van opgeteekend, dus zij schijnt vroeger niet verhuurd te zijn.

3) Reohtsbr. v. Utr., I, blz. 213 (1388).

4) Burin. Jaarb., II, blz. 15 vlgg. (1442).

5) In 1420 worden tenminste tichelaars „buten S. Kathrinen vermeld". Archief van Dodt van Flensburg V, blz. 190.

6) 1b., II, blz. 508 vlgg.; Muller, Regesten, nos. 909—912, blz. 159 vlg. Ik vermoed, dat de steenbakkerij buiten Katharinapoort in de stadsweide lag; deze bevond zich tenminste voor die poort. Bij Van de Monde, Straten en Pleinen etc. op een plattegrond van 1539 «taan ook nog tichelovens buiten de ïollensteegpoort aan den Rijn, maar die in dat jaar reeds buiten gebruik waren.

7) Cameraarsrek.. I, blz. 246 en II, blz. 201 : Johanni latifici supra pratum.

8) Ib., II, blz. 280. Dat deze zich op de Weerd bevond, blijkt III2, blz. 229. In 1361 is er zelfs sprake van vier personen, aan wie een tichelwerk wordt verleend : Ib., III', blz. 48, 51; maar slechts drie van de vier hier genoemde namen komen later weer voor als tichelaars, twee ervan zullen dus samen één gedeeld hebben.

9) Cameraarsrek., III-, 272. Het wordt dan hersteld, maar verdwijnt toch later.

10) Overijsselsohe Bijdragen, II, blz. 202 vlg.: Mededeelingen over pannen en steenen eto., door N(anninga) U(itterdijk).

11) Gelre, Bijdr., III, blz. 303: 1371. „oppen Toghe by den oelden tighelhuys"; 1378. tichelaar op do Marsch en op Wosse; 1378. tichelaar op Helbergen.

Sluiten