is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vasten bij Israël

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zen: ook daar is het land domein van bepaalde goden, maar evenmin als hij Israël was al het voedsel gewijd aan de inheemsche godheid: ook daar was het onderscheid tusschen reine en onreine spijs 1). De vrome Israëliet dus, die in het heidenland toeft, is niet aangewezen op onreine levensmiddelen, hij kan. gelijk Daniël, enz. rein voedsel eten. De onreine spijze evenwel, waarvan hij zich zal onthouden, is die, welke aan een andere godheid dan Jahwe gewijd is en het Deut. 11 : lv.; Lev. 11 verbodene. Tegenover Jahwe zijn vreemde goden onrein. Het eten van onreine spijs in het buitenland. zou gelijk staan met zich onttrekken aan den dienst van Jahwe en zich stellen in dien van een vreemde godheid, resp. met het overtreden van Jahwe's geboden. Daniël, enz., die ook in het heidensche land Jahwe getrouw willen blijven, maar hem daar niet kunnen offeren en dus ook geen heilige spijs kunnen nuttigen, zij moeten zich tevreden stellen met rein, profaan voedsel., dat noch bevlekt, noch heiligt. — Ten onrechte dus vertaalt men Hos. 9 : 3b. ,,en in Assur zullen zij wat onrein is eten." nou als neutr. komt elders niet voor Daarentegen vinden wij het Ezech. 4 : 13 als bijvnw. ter aanduiding van een toestand: ,,de Israëlieten zullen hun brood onrein, d. w. z. in onreinen toestand eten"; ook hier, als in Hos. 9 : 3 het bijvnw. in het enkelv. bij een onderwerp in het meerv. Men leze dus in elk geval Hos. 9 : 3b.: ..zij zullen onrein d. i. als onreinen eten", vg. over deze constructie Gesenius. Hebr. Gramm. 2t S. 368 p. Bovendien staat -iitrsa hier zeer vreemd na Egypte. Niet onmogelijk, dat de in Hozea herhaaldelijk voorkomende verbinding „Egypte en Assur" een afschrijver er toe heeft gebracht het ook hier te lezen. Hos. 8:13 leze men

2); emendeert men nu Hos 9:3b: 'n* sou "ic?31 en

') Ook vanuit het standpunt van Lev. 11; Deut. 14 : lv.

2) LX v "hmi Qctyuo-tv xféa.; evenzoo emend. O e 111 i. Amos und Hosea. u. s. w., Beitrage zur Förderung Chr. Theol. V, 4, 1901. aangeh. d.