Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de afgestorvene geen god is. In de tweede plaats, omdat moeilijk te zeggen is, op welke gemeenschap met den doode de onthouding voorbereidt. Het doodenmaal komt voor die gemeenschap niet in aanmerking, want volgens M. s eigen woorden „was de doode daar de (eenige) gast L). Blijft alzoo het lijkmaal. Hij vindt dit aangeduid o. a. Jer. 1G : 8; Hos. 9 : 4. „Toen het graf in den zeer oudeu tijd nog in het huis zelf was," „kon op deze onreine, d. i. tegenover den doode heilige plek, de maaltijd het karakter van offermaal dragen." „In elk geval werd de schim van den overledene er bij aanwezig geacht, wat het maal genoegzaam heiligde." Spreekt M. zich reeds aarzelend uit, zijn oordeel berust voornamelijk <»p Jer. 10 : 82). Maar hier is in t geheel geen sprake van een lijkmaal. En wat meer zegt: het lijkmaal is in geheel de Isr. letterkunde niet te vinden 3). Uit een en ander blijkt dus. dat de toepassing van R. Smith s theorie op het doodenvasten niet gerechtvaardigd kan worden.

Volgens de vorige § mag men aannemen, dat de leden van een gezin, in welks midden een doode is, van verbreking van het taboe worden teruggehouden door de vrees voor den doodengeest. De eigenlijke reden van het doodenvasten is hiermede niet voldoende aangegeven. Nader moet worden uitgemaakt, wat men bij overtreding van het verbod had te vreezen.

Meermalen is er op gewezen, dat de begrippen onrein en heilig verwant zijn, niet in de latere beteekenis der woorden, maar in oorsprong. Het punt van overeenkomst tusschen de onreinheid des doods en de heiligheid is dit, dat beide toestanden in het leven worden geroepen door onzichtbare, bovennatuurlijke machten. De onreinheid door den doode, de heiligheid o. m. door Jaliwe. Ook de onreine en

') Theol. T. 1900, blz 199

a) 1. c. blz. 205v. 3) vg. blz 146v.

Sluiten