Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijk. dat. hoewel het vasten in Adar van ouden datum is, de tijd der onthouding, hier genoemd, van lateren oorsprong is. Pit blijkt dunkt ons vooreerst uit Sof. 17 : 4: ,,De drie purimvastdagen worden niet gehouden achtereen, maar afzonderlijk, den 2den, 5den en 2den dag; en onze leeraars in Kanaan hebben bepaald, dat men moet vasten na Purim, wegens den Xikanordag en de twee andere feestdagen ('2Sa mam Ti:pj) en voorts, omdat de regel geldt: in zake van straffen ') stelt men uit en vervroegt niet." In dit vers wordt gepolemiseerd tegen een vasten op een of meer der purimdagen. Die indruk wordt versterkt door het feit van elders ons bekend, dat op 13 Adar althans, omstreeks denzelfden tijd, wérd gevast. Maar dat het vasten na Purim van lateren datum is, gelijk reeds uit dit vers afgeleid zou kunnen worden. staat vrijwel vast. liet is zeer goed verklaarbaar, hoe het voorschrift van Sof. 17 : 1 is kunnen ontstaan. Een vasten op een of meer der purimdagen moest de latere Joden onbegrijpelijk voorkomen. De 13 Adar stond uitdrukkelijk genoteerd als een feestdag, waarop het verboden was te vasten, Meg. Taanith 30. Ook de viering van het eigenlijke feest op 14 en 15 Adar droeg een bij uitstek vroolijk karakter. Maar nu kende men tevens de traditie van een purimvasten. Wilde men beide voorschriften opvolgen, dan was er geen andere mogelijkheid dan de vasten va Purim te houden. En toen men eenmaal overtuigd was na Purim te moeten vasten, waren daarvoor als van zelf de 2de, 5de en 2de dag aangewezen. De omgekeerde voorstelling, dat het vasten op Purim van jongeren oorsprong zou zijn, is onaannemelijk. Ten overvloede zij er op gewezen, dat Sof. 21 : 1 ook Mordeehai en Ester in plaats van drie nachten en dagen achteréén, zooals zonder twijfel Est. 4: 1(1 bedoelt, op den 2den, 5den• en 2den dag laat vasten.

') Hier wordt natuurlijk gedoeld op het vasten als zelfkastijding.

Sluiten