Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Knud (heengaande.)

Kom, kom!

Zij verlaten den heuvel.

Vijfde tooneel.

In de legerplaats van Svend: de koningstenten twee deelen gescheiden door een gordijn. Door de opening, die het gordijn voor den ingang laat, ziet men bosch en heuvels. Svend, Thorbeer en een paar edelen. Een hopman, gespoord en gewapend, staat voor den koning; hij heeft een bericht gebracht.

Svend (tot den hopman.)

Ik dank u. Ga!

Als de hopman gegaan is, enkele oogenblikken van pijnlijke stilte. Svend wendt zich af en doet een paar schteden.

Svend.

Tienvoudig ons getal!

O, 'k zie het thans! wijl wij in ridderlijke En koninklijke hoogheid onbezorgd In eed'le droomen leefden, waakten zijl Ginds ging geen man te ruste zonder zwaard En schild naast zijne legerstede, dat Op 't sein géén falen zou. Ja, zij zaten schuw In hunne holen, spiedend, rekenend En wegend elke daad! En thans...

Een der edelen {na een pooze).

't Valt hard Den rug te keeren wien men straffen wilde En nimmer vreesde... maar, zoo hulp niet daagt,

Niet in dit uur...

Svend.

O, wen ze kwamen! Slechts Een duizendtal der onbedwingbre jeugd!

Thèns dralen ze! In 't daden-dringendst uur!

Thorbeer.

Wijt hen geen schuld, o koning, die verrast Opsprongen bij uw roep en trouw maar hoop'loos Thans kampen met den tijd.

Svend.

Dat boden gaan In ijlstorm langs den weg! en sporen hen Tot ademloozen spoed! De snelste ruiters Verwerven dezen dag hun ridderspoor!

Een der edelen verlaat de tent.

Wij, zoo geen hulp daagt voor den noen, wij zwichten

Sluiten