Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Engeland werden de kalkoenen, naar men zegt, in het 15de jaar van de regeering van Hendrik VIII (dus in 1524) ingevoerd. In 1555 sprak men reeds van feestelijke smulpartijen, waarbij jonge kalkoenen opgedischt werden.

Naar Duitschland kwam de kalkoen omstreeks 1534, zooals Herresbach en Colerus berichten.

C. Verpleging en Teelt.

1. Verblijfplaats.

Daar de wilde kalkoen een rondzwervende vogel is, ligt het voor de hand, dat ook zijn tamme nakomelingschap er van houdt, een zoo ruim mogelijke verblijfplaats te hebben en het best gedijt, wanneer een grasveld met veel struikgewas of bosch ten dienste staat. Schuilplaatsen tegen de felle zonnestralen, tegen regen en wind zijn noodzakelijk. Het liefst kiezen zij hooge boomen tot slaapplaats; toch is het 't best, voor afzonderlijke nachthokken te zorgen. Deze hokken mogen niet tochtig of vochtig wezen en de stevige zitstokken moeten zoo hoog mogelijk aangebracht zijn. Voor een drogen bodem dient men eveneens zorg te dragen. Kunstmatige warmte behoeft niet aangebracht te worden, omdat de kalkoenen, zoodra zij 2 maanden oud zijn, zich volstrekt niet bang voor wat koude toonen. In vele streken bestaat hun nachtverblijf zelfs uit een schuur, die aan drie zijden gesloten is, terwijl de vierde wand of geheel open is of uit latwerk bestaat.

2. De voedering.

Bosch en veld zijn de plaatsen, waar het den kalkoenen Kalsbeek. Fazanten. 7

Sluiten