Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•/,. i. geroepen om te letten op het onderwijs, of dit met orde werd gegeven en of het beantwoordde aan de beginselen der Vereeniging. Wat dan verder plaatselijk tot geestelijke ontwikkeling komt of niet komt, daarmede had de Hoofdcommissie zich niet te bemoeien. Indien de vergadering besluiten mocht, dat geen subsidie mocht worden gegeven aan eene school, in liet gebouw waarvan godsdienstoefeningen plaats hebben, dan zou hij niet langer lid der Hoofdcommissie willen zijn.

Ds. S. D. van Veen zei, dat hij zijn geld niet geven kon voor een gebouw, dat gebruikt werd, om de Hervormde Kerk tegen te werken. Daarom wenschte hij, dat de schoollokalen door geen van beide partijen gebruikt werden. Overigens drong hij er op aan, dat men billijk zou zijn en bedenken moest, dat ook de doleerenden rechten hebben.

Dr. G. J. Vos merkte hierop aan, dat men niet te doen had met eene te constitueeren, maar met eene geconstitueerde vereeniging. Het ging z. i. niet aan om, met het oog op de historie, rekening met de doleerenden te houden. Dezen kende men in de Vereeniging niet, slechts Afgescheidenen, liUtherschen en Hervormden. Bovendien waren voor <^e scholen gelden verstrekt door hen, tegenover wie het onbetamelijk was, die scholen nu te gebruiken, om de reglementaire kerk af te breken. Er waren vele relatiën gemaakt tusschen kerkgemeente en schoollokalen. Die scholen mochten niet gebruikt worden tot verwoesting van eene vóór 1886 bestaande Kerk.

Ds. S. D. van Veen diende nu de volgende motie in:

»Christelijke-schoolgebouwen, door de vereeniging gesubsidieerd, mogen op geenerlei wijze en door geen der partijen in den kerkelijken strijd gebruikt worden, behoudens verkregen rechten, die de eene of andere kerkelijke gemeente heeft op het gebruik en de bestemming dezer gebouwen."

Deze laatste zinsnede had hij er bijgevoegd, omdat de opmerking was gemaakt, dat er scholen waren met eene bepaalde bestemming, zoodat er rechten op waren verkregen, die natuurlijk moesten worden geëerbiedigd.

Dr. G. J. Vos trok nu zijne motie in, om te voorkomen, dat de vergadering uiteengaan zou, zonder een besluit te nemen. Wat de statuten betreft, hij meende, dat de doleerenden daarbuiten stonden, tenzij zij zich ook tot een kerkgenootschap constitueerden. Hij onder-

Sluiten