is toegevoegd aan uw favorieten.

De Zwijndrechtsche Nieuwlichters

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We zien, dat er dus wel eenige punten van overeenkomst waren, maar was die verwantschap nu zöö groot, dat ze dien plotselingen en algemeenen trek voldoende verklaart ?

Of krijgen we niet aanstonds vermoeden, dat hier ook persoonlijke invloeden in het spel zijn, dat iemand de verwantschap als grooter voorspiegelde, dan ze werkelijk was ?

Ik heb getracht nog eenige nakomelingen der broeders op te sporen en het is mij gelukt met eenigen van hen, in den staat Utah, een vrij uitvoerige correspondentie aan te knoopen. En toen bleek, dat in Utah, te midden der Mormonen, nog enkele nakomelingen der Nieuwlichters leven — maar... op zichzelf — nog altijd min of meer getrouw aan de tradities der broederschap... los van het Mormonisme, hoewel — en licht begrijpelijk ! — niet zonder zijn invloed te hebben ondergaan.

Enkele fragmenten vinden hier een plaats.

Een brief van Pieter Fontijn en Hendrika Fontijn (') meldt:

„Wij zijn volstrekt niet aan een kerkgenootschap aangesloten, wij hebben volstrekt geen behoefte aan aardsche leeraars, wij kunnen niet vinden in een kerk op aarde, wat wij thans genieten... in de Mormoone kerk daar zijn duizenden goede brave menschen onder... maar de hoofden van die kerk, daar valt veel op af te wijzen.

Wij hebben vergaderd niet éénmaal per week, maar alle avonden. Na onzen arbeid kwamen wij bij elkander en dat wel 22 jaren lang, en jaren lang stonden onze vrouwen 1 of 2 uur vroeger op, om zich te leeren en te oefenen in de dingen, die boven zijn." [*]

In een brief van 31 Jan. 1904 had deze Fontijn mij reeds meerdere mededeelingen gedaan, en — mijn onderzoek opvattende als een getuigenis van geestverwantschap — gaf hij deze ontboezeming : [3]

(') Salt Lake City d.d. 27 April 1J04.

Deze Pieter Fontijn was, toen hjj dit schreef, ruim 77 jaar. Ik geef zjjn woorden weer, gezuiverd van al te zinstorende taalfouten. Een dochter van dezen Fontijn was gehuwd met een zoon van den bekenden Heystek.

I1] Wij denken bij deze leergraagheid byna aan de leus der Mormonen : „De heerlijkheid Gods ligt in zijn intelligentie" Zie Penrose t. a. p. blz. 21 en 36.

I»] Jammer genoeg hield later — toen uien merkte, dat ik geen geestverwant, maar slechts onderzoeker was — de correspondentie eensklaps op.

Ik heb niets meer los kunnen krijgen en kwam niets te weten omtrent die „geschriften van vader Heyatek'' waarover zy rny eens schreven.