is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit het leven der dieren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijgewassen schietelingen vergaard en op 't drooge gelegd, om een al te ontijdig schieten te voorkomen.

Het grootste gedeelte ervan was af en door mijne handen en ik roerde in de opperlage grond, om de kleinste kliesters uit te zoeken die met vuiligheid en afval vermengeld lagen.

Gansch onverwacht kwam ik op een tamelijk groote bloembol, en zoo veraard, zoo vermolmd zag hij eruit dat ik amper nog uitmaken kon wat ik eigenlijk voorhanden had, een verstorven leliekliester of een eerdknol. Zoo katijvig bleek hij, zoo duffelachtig verkrompen, zoo flets bij 't bepootelen : doch opeens, daar ik hem tamelijk ruw overwreef en hem de warmte van mijne handen meedeelde, kwam die eerdknol tot beweging, roerde vier pooten, uitte een nauw verneembaar gekriep en bevochtigde mijn palm en vingers.

Ik verschoot en droop het ondier met een gruw, immers zag ik nu dat mijn kliester was een afzichtelijke padde, met geteerde schorse besmeurd en onkennelijk gemaakt, die haar daar verdoken had gehouden in haren winterslaap en er waarschijnlijk haren thuis hield.

Een afkeer doorhuiverde mij vooral 'tweerstootelijke van dit wanstaltige schepsel, en een reeuwkoude bleef me onweerbaar in mijne handpalm, eene koude als bij 't betasten van een lijk, en die me liep, al rillen, door merg en beenderen.

Waarom toch, zoo dacht ik, loopt gij en uws gelijken over Gods lieven aarbodem, tot schennis van dien heerlijken dag voor mij ? Hoe hebt gij 't bestaan weerd geweest, gij, schijnbaar eene gewordenheid en uitgroei