is toegevoegd aan uw favorieten.

De Oranjebond van Orde, gevestigd te Utrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N EGENDE HOOFDSTU K.

ffffos de jJSond sijn dank betuigt, daarna pliilosofeert, zich vervolgens aanbeveelt in de gunst en de recommandatie en zich ten plotte dermate opwindt, dat liet maar goed is dat er een eind wordt gemaakt aan het verhaal van sijn eerste decennium.

H

ebben wij het vorenstaande gegeven als te zijn de geschiedenis van den Bond, daarmede is niet gezegd dat

het zijn compleete historie zou wezen. Grepen zijn gedaan in den zeer grooten voorraad stof en dan voornamelijk nog slechts in hetgeen, geschiedkundig- genomen, geacht kan worden van eenige blijvende waarde te zijn.

Voor hen, die de Bondszaak geleid, opgebouwd hebben, zullen die regelen vermoedelijk slechts een zeer vaag beeld van het doorleefd Bondsleven gegeven hebben. Niet wat werd, maar hoe het werd, in strijd en zorgen, onder miskenning vaak en tegenhêen, bij schrale beurs en schuldenlast, maar ook — het mag gezegd worden — onder eerlijk zoeken naar den goeden weg en moedig keeren op der dwaling schreden, voor hen is meest dit belangrijk. Leven was het van hun leven en van hun hartebloed was het bloed. Hunnenthalve die tien jaren van moeitevollen arbeid, eindelooze teleurstelling en problematiek succes in volledig beeld te brengen, het zou niet mogelijk wezen dit te doen in zoodanig bestek, dat men tijd en in zoodanigen vorm, dat men lust vond het vervlogene nog eens weder aan onze hand te doorloopen. 't Ware ook onnoodig. Ieder hunner heeft immers zijn herinneringsvermogen en voor zooveel hun dit in den steek mocht laten, mogen zij zich gelukkig rekenen in de plooien van het kleed der ver¬

getelheid een sluier te vinden, die het soms min aangenaam verleden voor het geestesoog bedekt.

Zeker is het dat zij niet vergeten, dat, wat werd, ontstond door de vriendelijke hulp en medewerking van velen, van hoogst- en hooggeplaatsten niet slechts, uit eiken kring, tot die der schraalen minbedeelden toe. Wij hebben ons bij het schrijven zooveel mogelijk onthouden van het noemen van de namen dergenen, die den Bond stoffelijk steunden; 't wou ons toeschijnen dat de plicht der kieschheid het ons gebood. Maar daarom staan ze ons nog wel voor den geest, de helpsters en helpers met hart en met hoofd, met arbeid en beurs. Maar daarom schrijven we nog wel in't eigen hart »in heilig schrift, het werk hunner Liefde, met dankend genot.« Nog zwelt ons 't gemoed, als wij bedenken van hoeveel vriendelijken zin, hoeveel stille, soms aandoenlijk-teedere hulpvaardigheid, hoeveel medegevoel met ons tobben en kampen, 's Bonds ongeschreven historie getuigt. Wij laten haar niet hardop spreken. Haar taal zou onzen trouwen vrienden, die verscheiden zijn of den minder trouwen, wien wij wellicht onwillens verdroten, toch niet bereiken en aan wel niemand zal, bij 't lezen dezer bladen, de indruk ontgaan, dat wat men deed om 's Bonds weg te effenen en zonniger te maken, naar waarde op prijsgesteld en ver van vergeten is.