is toegevoegd aan uw favorieten.

Het boek der sporten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over den riem gebogen te houden. Op het eind van achteroverzwaaien en uittrappen worden nu de handen krachtig naar den romp getrokken, de armen hierbij zoo dicht mogelijk langs den romp, de schouders flink naar achteren en vooral niet omhoog gebracht. De romp blijft hierbij de helling naar achteren behouden; het bewegen van den romp naar den riem toe, het z.g. optrekken, is beslist foutief.

Onmiddellijk na het intrekken der armen wordt de riem door een druk op het handvat loodrecht uit het water gewipt, door een buiging van het polsgewricht 90° gedraaid en vlug van het lichaam weggegooid door de armen geheel te strekken, terwijl in deze beweging overgaat het vooroverkomen van den romp en het naar voren brengen van de sliding. Het naar voren brengen van de sliding moet

niet overhaast geschieden; het is het stadium waarin de roeier uitrust. Ook mag i i*i* •

de sliding naar voren niet aanstooten, daar dit een schok veroorzaakt en voor de snelheid nadeelig is. Zijn de romp en de sliding geheel naar voren gebracht dan wordt door het vertikaal plaatsen van het blad, door draaiing in het polsgewricht, en even het handvat op te tillen de riem in het water gezet en een nieuwe slag begonnen. Het oogenblik tusschen het naar voren gebracht zijn van den riem en het in het water gezet worden mag niet waarneembaar zijn, hetgeen trouwens het geval is met alle onderdeelen der roeibeweging; geen oogenblik mag verloren gaan. l\vee oogenblikken zijn er, waarop de roeier wel eens geneigd is even stil te zitten, en wel na het doorhalen van den riem door het water en dan vooral even voor het inpikken. Op een veel voorkomende fout moet nog even gewezen worden, en wel op deze, dat de riem niet wordt ingepikt op de plaats, waar hij zich bevond op het oogenblik, dat sliding en romp geheel naar voren gebracht waren. Dikwijls komt het voor, dat de rug al iets is achterovergezwaaid, of de sliding al iets is uitgetrapt, voordat de riem het water gepakt heeft. Een gedeelte van den slag, die door het water gemaakt moest zijn, is door de lucht gemaakt en de slag wordt te kort.

Hoe ver een roeier' met het lichaam naar voren komen mag, en hoe ver naar achteren, is niet met zekerheid te zeggen en wordt ook verschillend beoordeeld. Over het algemeen komen de roeiers met den romp ver naar voren, d. w. z. zoo ver als zij zonder veel moeite komen kunnen. Deze beweging is echter beperkt; het naar achteren brengen van den romp is echter niet beperkt, en wordt dan ook zeer verschillend uitgevoerd. Toch ziet men bij ons in Nederland niet meer het verre naar achteren vallen, zooals bijv. de Nereus-ploeg deed, die in 1895 in Henley uitkwam, en den ploeg dadelijk den naam van Aquatic Astronomers bezorgde, of zooals bijv. de Germania-ploegen in nog sterkere mate deden in dit jaar, op de internationale wedstrijden te Parijs. Het maken van een correcten slag is dus zeer gecompliceerd en moeilijk. Nog moeilijker is het correct roeien van een geheelen ploeg. De hoofdzaak hierbij is, dat de roeiers één geheel vormen, dat ze slag houden, gelijk in- en uitpikken, den slag even lang maken» de bewegingen der lichamen gelijk zijn, dadelijk elkander volgen bij vluggeren of minder snellen slag, opdat de boot haar rechte ligging behoudt en de roeiers dus

88

%