is toegevoegd aan uw favorieten.

Over oploswarmten in het algemeen, die van Cd S O4 8/3 H 2 O in het bijzonder

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regel, die toen reeds aan 't licht gekomen waren, nam Naumann aan, dat de hydraatmoleculen, die volgens de toenmaals heerschende meening ook in oplossing voorkomen, bij hoogere temperatuur een dissociatie ondergaan in hydraat, dat armer aan water is, of anh} driet en water. Daar deze dissociatie bij temperatuursverhooging niet plotseling, maar langzamerhand plaats zou hebben, zou de oplosbaarheidsverandering niet sprongsgewijze, maar gradueel moeten plaats vinden.

Toen vooral na 1885 verschillende gevallen nauwkeuriger onderzocht werden, bleek al spoedig dat de meening van Naumann onjuist was, omdat de oplosbaarheidslijn uit takken bestaat, die elkander onder een bepaalden hoek snijden. Dat ieder van deze takken als een afzonderlijke lijn moest worden opgevat, volgde hieruit, dat soms een tak voorbij zijn snijpunt experimenteel kon worden voortgezet, wanneer het gelukte vertragingsverschijnselen in het leven te roepen.

Iedere tak stelt dus voor een afzonderlijke oplosbaarheidslijn, behoorende bij een bepaald hydraat of anhydriet Er moet dus ondeischeid gemaakt worden tusschen de plotselinge verandering in lichting \an de oplosbaarheidslijn, die samenhangt met een plotselinge verandering in den toestand van de vaste stof, die ter verzadiging dient en de geleidelijke verandering, die met de temperatuursverandering plaats vindt, wanneer 't vaste zout hetzelfde blijft.

Wat deze laatste betreft, leert de thermodynamica, dat er verband bestaat tusschen deze verandering van de oplosbaarheid bij temperatuursverhooging en het calorisch effect, dat de oplossing van het zout in quaestie vergezelt. Denkt men zich een omkeerbaar proces, waarbij de beide systemen vast zout en verzadigde oplossing wederkeerig in elkaar overgevoerd worden en kent men de daarbij optredende warintehoeveelheid, dan kan men natuurlijk van de wetten der thermodynamica gebruik maken.

Verschillende pogingen zijn aangewend, om uitgaande van de

vergelijking t ^ ^ te komen tot een betrekking tusschen

de concentratie van de verzadigde oplossing en de temperatuur. Gelukte dit, dan zou men in staat zijn, voor elke stof een oplosbaarheidskromme te construeeren.