Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H.V.

1883. No. 2.

Een lichaam wordt zoodanig op een hellend vlak geplaatst, dat het er afglijdt en eene versnelling van 2 M. verkrijgt.

Op een ander hellend vlak geplaatst, waarvan de helling 12° graden bedraagt, blijft het nog juist in evenwicht.

De wrijvingscoëfficient is voor beide vlakken dezelfde.

Hoe groot is de helling van het eerste vlak?

Noemen wij het gewicht van het lichaam G, de versnelling der zwaartekracht fi en de wrijvingscoëfficient f.

Stellen wij de gezochte helling van het eerste vlak oc1, dan is de composante der zwaartekracht, welke de beweging langs het hellend vlak te weeg brengt, G sin oc en de wrijvingsweerstand, welke de beweging tegengaat fG cos oc. In de richting van het eerste hellend vlak werkt dus op het lichaam eene kracht (sin oc — f cos oc) G.

De kracht G (het gewicht) geeft aan het lichaam eene versnelling ti (die der zwaartekracht) de kracht (sin oc — f cos oc) G geeft dus aan datzelfde lichaam eene versnelling i , welke gevonden wordt uit de evenredigheid :

G : (sin oc — f cos oc) G = g : j waaruit volgt: j = (sin oc f cos oc) g.

Daar gegeven is dat j = 2 is en voor g 10 stellende, vindt men dus: sin oc — f cos oc = 0.2 (1)

Wanneer het lichaam op het tweede hellend vlak, waarvan de helling 12° bedraagt, wordt geplaatst blijft het nog juist in evenwicht. Hieruit volgt dat f tang 12° is; substitueert men deze waarde van f in de vergelijking (1) dan krijgt men:

sin oc — tang 12° cos oc = 0.2 sin oc cos 12° — cos oc sin 12° cos 12°

sin (oc — 12° ) = 0.2 cos 12° waaruit men opmaakt:

oc = 23° 16' 53", 3.

W. en K..

1884. No. 1.

Een ladder van 150 K.G. gewicht, welks zwaartepunt op '/» van het ondereinde ligt, staat onder eene hoek van 30° met den grond tegen een muura. Indien ondersteld wordt dat er geene wrijving is, vraagt men de horizontale kracht, die men tegen het ondereinde moet aanbrengen om het uitglijden te beletten;

Sluiten