Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets dat vriendelijkheid afschrikte, maar zijn deelneming overwon alle bedenkingen. Op haastigen, ofschoon beschroomden toon zeide hij: «ik zal wel niets voor 11 kunnen doen, maar als gij u tot mijn vader wendt, zal hij u zeker helpen."

Het aanbod was welgemeend, en bij het gezag, dat Viale genoot, was het niet onnatuurlijk dat zijn zoon dit voor onbeperkt genoeg hield, om overal hulp te bieden, maar de uitwerking was een geheel andere dan Frank gewild had.

De verzachting, die het gelaat van den Protestant ondergaan had, verdween, en hij antwoordde op harden toon: »God beware mij een weldaad uit de hand van den graaf van Viale te willen aannemen, doch" — hij sprak met al den weerzin des verdrukten tegen zijn verdrukker — »zijn hand zou ook niet geopend zijn, om die weldaad te bewijzen."

Misschien had Viale haar verdiend, maar Frank had die harde afwijking niet moeten ondervinden, zijn bedoeling was daarvoor te goed geweest. Men zou het den knaap hebben kunnen vergeven, als hij zich beleedigd had gevoeld, maar er sprak slechts teleurstelling uit zijn schoone trekken. Als het alleen de woorden geweest waren, hij zou ze uit beschroomdheid voor zijn vaders macht verklaard hebben; er waren immers velen, die hem ondanks al zijn goedheid schenen te vreezen; de toon echter, waarop zij gesproken werden, getuigde van een gevoel, dat Frank niet kende, doch dat hij wel inzag niet gunstig te zijn, en hij hernam dus snel: »gij doet mijn vader onrecht, hij is steeds bereid tot helpen."

»lk beschuldig hem niet; men zegt, dat hij mild is voor hen, die in zijn gedachten doelen; maar ik heb geen aanspraak op zijn bijstand."

Frank zag den leeraar peinzend aan. «Gelooft gij dan, dat mijn vader u niet zou willen helpen, als hij wist wat gij denkt?"

«Neen; spreken wij dus hiervan niet verder."

«Maar als die denkbeelden zoo verkeerd zijn, waarom geeft gij ze niet op? o ik beloof u, dat ik niet ophouden zal, tot mijn vader u vergiffenis schenkt," zei de knaap en terwijl hem plotseling iets scheen in te vallen, fluisterde hij aarzelend: »ge zijt toch geen ketter zooals de graaf van Brederode?"

De prediker zweeg; hij herinnerde zich zijn belofte, en hoe vreemd hij ook aan persoonlijke vrees mocht wezen, beangstigden hem de gevolgen, die zijn toestemming voor Edward hebben kon.

Frank begreep zijn onzekerheid. »lk zal u niet verraden," zeide hij haastig; «weet Edward het?"

«Zoudt gij hem dan om zijn gastvrijheid laken?"

«Neen, ik zou deuken, dat hij medelijden met u had, en u

Sluiten