is toegevoegd aan uw favorieten.

Calvinisme en Spinozisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Descartes verbonden is, ja, in zekere mate daaruit is voortgegroeid. Schijnbaar huldigt Spinoza het systeem van zijn grooten voorganger als het zijne. Wanneer hij hier en daar afwijkt, is het niet, gelijk de voorrede zegt, om den beroemden man te verbeteren, maar is dit meer te beschouwen als een gevolg van den geometrischen vorm der beschrijving. In werkelijkheid draagt Spinoza echter de grondbeginselen van zijn eigen wijsbegeerte voor, en wel zóó voorzichtig, zóó gesluierd, dat de oppervlakkige lezer nauwlijks het pantheïsme vermoedt. In den regel bedient de schrijver zich, waar het de voornaamste stellingen betreft, van de rechtzinnige terminologie. In den schijnbaar calvinistischen vorm wikkelt hij, ja, daaraan verbindt hij, daaruit leidt hij af, hetzelfde naturalistische pantheïsme, dat na zijn dood in de Ethiek de verbazing der wereld zou wekken.x)

Yoor het door ons aangeduide doel: allereerst een historisch onderzoek in te stellen naar het verband tusschen calvinisme en spinozisme, is de kennis van dit kleine, hybridische boekje inderdaad onmisbaar. Het doet ons bij nauwkeurig onderzoek zien, dat de bekende uitspraak van Leibniz, waarin hij verklaart, dat Spinoza niets anders dan een onbegrensd overdreven cartesiaan was, niet geheel ongegrond is, en dat K. Fischer recht had tot het zeggen, dat in sommige opzichten Spinoza nooit opgehouden heeft cartesiaan te zijn.. 2) En nu verschilde wel is waar het systeem van Descartes, inzonderheid uit een kennis-theorethisch oogpunt, in meer dan één beginsel diep grondig van de toen heerschende calvinistische levensbeschouwing, maar daar Descartes zich in het formeele denken in menig opzicht aansloot bij de scholastiek der middeleeuwen en, wat de groote geloofswaarheden betreft, niet van de kerk waartoe

1) Vergel. K. Fischer, t. a. p. Cap. IX, Die Entstehung der Lehre Spinozas, 252—276. — Zie ook mijn dissertatie: Spinozas „Cogitata Metaphysica," Heidelb. 1899.

2) K. Fischer, t. a. p. 276.