is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van een reis naar de voornaamste centra van Slavistische wetenschap en Slavische cultuur, 25 April-3 Augustus 1914

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met dankbaarheid denk ik ook terug aan de paar bezoeken, die ik bracht aan de Hofbibliothek, èn omdat ik hier onder bekwame leiding eenige van de kostbaarste miniatuurhandschriften zag, waaraan deze bibliotheek zoo rijk is,benevens een allerinteressantste tentoonstelling,dieinden/VK«,èsaal was georganiseerd, maar nog niet voor het publiek toegankelijk was, — èn,in niet mindere mate, om de kennismaking en de leerzame gesprekken met den ambtenaar Dr. I. Prijatelj. Naar deze heer mij meedeelde, is niet minder dan een derde deel der boeken, die op de Hofbibliothek inkomen, Slavisch. Aangezien ook in Oostenrijk de goede gewoonte bestaat, dat van elk boek een exemplaar aan een centrale Weensche bibliotheek moet worden cadeau gedaan, ontvangt de Hofbibliothek alle Sloveensche, Cechische, Poolsche en Rutheensche publicaties, die in Cisleithanië verschijnen. Natuurlijk wordt ook veel buitenslands gekocht en de gegevens betreffende den Zuidslavischen boekhandel, mij in Sofia en Belgrado verstrekt, kon ik nog completeeren door eenige op langdurige ervaring gebaseerde meedeelingen van Dr. Prijatelj.

Het is m.i. de plicht van een professor in Slavistiek, om, behalve dat hij in eenige deelen van dit uitgestrekte terrein steeds meer in de diepte dringt, bovendien zoo breed mogelijk georiënteerd te wezen over het leven, de toestanden en idealen van de verschillende Slavische naties. Een reis zooals ik thans gemaakt heb is daarvoor een voortreffelijk hulpmiddel, en niet alleen in de Slavische landen zelf is het, dat ik veel geleerd heb. Ook in Weenen ging mij menig licht op over de nationaliteitenkwesties der Donaumonarchie, speciaal over het Zuidslaven-probleem. Hoe droevig de omstandigheden ook waren — het was een paar dagen na den dood van aartshertog Franz Ferdinand —, zij brachten mee, dat de Weeners, en vooral de Weener Kroaten en Slovenen, zeer veel over politiek spraken, — een goede les voor een gast uit andere landen.

3—5 Juli, Krakau.

De oude Poolsche koningsstad behoorde reeds vóór dezen zomer tot die steden van Europa, die ik het beste ken, dank zij eenige goede vrienden, die er al vroeger voor gezorgd hadden, dat geen kerk of oude gevel, geen renaissance-binnenplaats, geen museum of schilderij, geen der gezellige café s, waar men zoowel voor small talk als voor wetenschappelijke conversatie gelegenheid te over vindt, aan mij onbekend bleef. En Krakau ontving me thans als een ouden bekende met Poolsche hartelijkheid; het ver-