is toegevoegd aan uw favorieten.

De Kaukasische Bond en de neutraliseering der koloniën

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over het handelsverkeer der inboorlingen, hunnen ruilhandel met blanken, die tusschen Hottentotten en Bantoe, en over de ruilmiddelen, die gebruikt werden bij dezen primitieven handel(1). De geoloog zal over den aard van den bodem en over de vindplaatsen van koper, agaat, granaat en allerlei kristallen iets vernemen (2). De theoloog vindt meedeelingen over religie en bijgeloof, over gebruiken en dansen hiermee samenhangend, over dierenvereering en afschuw van bepaalde soorten (3). De taalkundige wordt getroffen dooi- de wijze, waarop inboorlingen in hunne eigen taal woorden maken voor het geïmporteerde dat hun vreemd was. Zoo vonden de Hottentotten voor don hun onbekenden wijn het teekenend woord : « druivenmelk », te merkwaardiger, waar de Hottentotten, die vee bezaten, hoofdzakelijk van de melk hunner kudden leefden, en melk eene voorname plaats in hunne gedachtenkring innam. Klanknabootsend zijn de woorden voor een geweer : K'habou, naar den doffen slag van het schot, diernamen voor europeesche varkens, korhoenders, faisanten en kippen, naar de geluiden, evenals ze in hunne eigen taal den « gnoe » noemden naar de voortgebrachte klanken(4). Dan blijkt den linguist, hoeveel woorden, die nu specifiek Afrikaansch zijn, in Hollandschen tijd naar Zuid-Afrika kwamen en daar bleven bestaan, terwijl in het moederland die woorden in onbruik kwamen. Reeds de woordenlijsten van het Hottentotsch, waarvoor den Brunswijker Georg Fredericus Wreede als eersten auteur blijvende eer toekomt, bewijzen het onhoudbare van de stelling dat vóór 1779 de Hottentotten geen kennis van de Kafferstammen zouden hebben(5). Het ware naïef, en met de historie in strijd, te meeuen dat niet zwervende deelen van Bantoegroepen vóór dat jaar met Hottentotten in aanraking zijn gekomen.

De medicus zal belang stellen in de bereiding der pijl vergiften*6); in inlandsche geneesmiddelen als die voor de radicale kuur tegen den lintworm (7), in de w ijze, waarop de beet van gifslangen werd onschadelijk

(1) I. 16, 115, II. 54.

(2) I. 180 e. v., II. 89, 116, 119, 134, 197.

(3) 1.18,19, 20, 57, II. 56, 104,118,119, 174.

(4 I Bijlage. Hottentotsche woordenlijsten, passim. II. 72, noot.

(5) I. 39,63, 220, 230.

(6)11.130 e, v.

7) 11.131.