is toegevoegd aan uw favorieten.

De Minang Kabausche nagari

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tfjahl Katóemanggoengéü (een blijkbar üit ded iiteï Toemanggoeng gefabriceerde naam) het opperhoofd van Djambi ?

Is de papatih of patih Déwa Tuhan, bewierookt in de wy-inscriptie op het Amoghapa^abee'd t9 Rambahan (N. 46 van den inventaris op bl. 36 vlg: van het Oudheidkundig verslag 2de kwartaal 1912) de vorst zelf?

Was Kjahi Katoemanggoengan toen reeds opperhoofd van Djambi of „berustte het gansche ryk van Jambij" eerst later in de banden zijner nazaten ? (vgl: Daghregister 1640 en 1641 onder Keey Toramagon en tyueey Tommagom.)

Met eenige zekerheid kunnen deze vragen niet beantwoord worden vóór ods de resultaten bekeDd zyn van de nadere lezing van de opschriften in steen.

Wel is merkwaardig het op talrijke plaatsen vernomen bericht, dat de grens tusschen de machtssferen der twee groote mannen was: de grens tusschen zilt en zoet water, daar n.1. Katoemanggoengan's ressort aan zee lag, terwijl de Papatih in de Bovenlanden heerechte.

Datoe1 Maharadjo Kajo van Soemanik vertelt, dat

van ninie3 op ninie* in zijn geslacht het verhaal is overgegaaD, dat de twee mannen van zóó andere opvattingen waren, dat Kjahi Katoemanggoengan uit de Bovenlanden was weggetrokken om Djambi te gaan besturen.

Dat er een broederoorlog tusschen hen uitbrak, wordt algemeen verhaald; Salomon Müller geeft het verbaal reeds in 1846 "); het is wel aantenemen dat er inderdaad een strijd is geweest tusschen de twee partijen, waarvan die van Papatih de democratisch gezinde was; in de opstellen over MinaDg Kabau zal deze zaak nader behandeld worden; de geest van de partijen blijkt uit het verschil in opvattingen omtrent het adatrecht (bl.%2 vlg: en 5de hoofdstuk, hifi?. ).

De „radjo nan tigo

sélo". Behalve den Minang Kabauschen radjo had men te

Boeo den radjo adat, en te Soempoe Koedoeih den radjo ibadat; met den wereldlijken vorst, den radjo alam te Pagar Roejoeng, maakten zij de radjo nan tigo sélo uit, „getwijnd als een koord uit drie draden" *") over wie uitvoerig gehandeld wordt in het opstel genoemd aan den voet van bl. 2i?.

Deze radjo's te Soempoe Koedoeih en te Boeo da-

*] Bedragen tot de kennis van Sumatra, Leiden 1846, bl. 79.

") „Tjindoer Mato" door J. L. van der Toorn, bl. 8.