is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in ons art. 119 tegenover „strafwet" in art. 167 der grondwet is zonder zakelijke beteekenis J).

De bepaling van art. 169 onzer grondwet ontbreekt echter in het regeeringsreglement, evenals een voorschrift als art. 5, lid 1, van de grondwet, welke artikelen aan de belijders der onderscheidene godsdiensten gelijke rechten en gelijke bevoegdheid om ambten, waardigheden en bedieningen te bekleeden, waarborgen. Het niet overnemen van een bepaling als art. 169 grondwet werd in het voorloopig verslag der commissie van rapporteurs voor het eerste wetsontwerp van het regeeringsreglement beschouwd als een der hoofdpunten, „als bewijzen voor de onvolledigheid der wet aangevoerd" 2). De memorie van toelichting op het derde ontwerp verdedigde de weglating van art. 169 (toen art. 166), „omdat de algemeene naleving van de daarin nedergelegde bepalingen lijnregt zou strijden met het regeeringsstelsel, gevorderd voor eene uit vreemdsoortige bestanddeelen samengestelde en gedeeltelijk door de wapenen overheerschte bevolking" 8).

Zelfs indien echter de artikelen 169 en 5 der grondwet van 1887 voor Nederlandsch-Indië waren overgenomen, zou dit natuurlijk niet insluiten, dat dus ook een Mohammedaan benoembaar moest zijn tot predikant of een Christen tot moskeepengoeloe. Hierover vergelijke men de juiste opmerkingen van Mr. A. van de Sande Bakhuyzen, Nederlandsch onderdaanschap, dissertatie 1900, blzz. 83—85.

De houding van de koloniale overheid tegenover het misdadig gebruik van de individueele vrijheid van godsdienstige meeningen en handelingen en tegenover de verstoring van maatschappelijke orde en rust bij het zich naar buiten uitende godsdienstige leven, is, afgezien dan van de slotwoorden van art. 119 regeeringsreglement (art. 167 grondwet), neergelegd in art. 120 regeeringsreglement. Het scheen gewenscht om dit

') Vgl. Mr. Ph. Kleintjes, Het Staatsrecht van Nederlandsch-Indië, 2e druk (1911), I, blzz. 190 — 191.

2) Keuchenius, Handelingen enz., II, blzz. 31, 32.

3) Keuchenius. Handelingen enz., II, blz. 182.