Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke grenzen tot huur met kost worden uitgebreid. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 16 November 1900; Mb. Dw. XVI, 9.

Art. 1606.

2134. E. C. Wiersema. Eenige opmerkingen over de artt. 1606 —1609 B. W.

— Ac. Pr. Leiden 1891.

2135. De clausule in een huurovereenkomst, dat de huurder vóór of op zeker tijdstip kan verklaren of de huur op dezelfde voorwaarden verlengd wordt, moet geacht worden aan den huurder het optierecht toe te kennen. — Hof Amsterdam 26 Juni 1885; W. 5283; W. v. N. R 861.

2136. De gebruikelijke clausule in een huurcontract, waarbij partijen zich verbinden vóór of op een bepaalden dag te zullen verklaren of de huur zal worden verlengd, is een pactum adjectum, waarvan het niet nakomen alleen tengevolge heeft, dat het als vervallen moet worden beschouwd. — Rechtb. Amsterdam 19 Mei 1892; W. 6212; R W. v N. 752. Bev. door Hof aldaar 7 October 1892; W. 6262; P. v. J. 1893, 74; W. v. N. R. 1204; R. W. v. N. 756; Mb. Dw. VIII, 9.

2137. Wie tot ontruiming van een gehuurd pand dagvaart, moet in geval van ontkentenis bewijzen, dat de betrokken huur op het oogenblik der dagvaarding geëindigd was. —H. R 22 Mei 1891, concl. conf.; W. 6057; P. v. J. 1891, 48; R. W. v. N. 1891 (met verniet. Rechtb. Winschoten 31 December 1890; W. 6037; R. W. v. N. 717).

2138. De huurder is krachtens de huurovereenkomst verplicht het gehuurde na het eindigen der huur te ontruimen

— Hof 's-Gravenhage 1 Februari 1897; W. 6926; T. v. N. XV, 166. Cassatie

H. R. 11 Juni 1897, concl. conf.; W. 6983; P. v. J. 1897, 54; W. v. N. R. 1447; v. d. H., B. R. LXIII, 161; N. R. CLXXV, 202; T. v. N. XV, 256.

2139. De verhuurder, die aan zijn zoon een huis, behoorende tot de gemeenschap van goederen, bestaan hebbende tusschen hem en zijne vrouw heeft verhuurd, kan na het overlijden der vrouw den huurder tot ontruiming noodzaken en het beroep van dezen op zijne medegerechtigheid als erfgenaam zijner moeder, gaat niet op, omdat de uitoefening na zijn eigendomsrecht is beperkt door de huurovereenkomst. — Rechtb. Amsterdam 13 Mei 1897; W. 7053; P. v. J. 1897, 102 (met verniet. Kantong. aldaar III 21 Januari 1897; P. v. J. 1897,'102; Mb. Dw. XII, 12.

2140. Ofschoon schriftelijk aangegane huur van rechtswege ophoudt, zoodra de bepaalde tijd is verstreken, zonder dat eene opzegging wordt vereischt, zoo moet toch, als eene opzegging door den verhuurder bij deurwaardersexploit is uitgebracht, en de eischer de veroordeeling van de gedaagden heeft gevraagd wegens het niet voldoen aan hetgeen daarbij is gevraagd, worden onderzocht of de opzegging op wettige wijze is geschied. De opzegging van de huur moet worden gedaan aan iederen erfgenaam van den oorspronkelijken erflater (huurder). — Rechtb. Amsterdam 28 October 1884; W. 5240; P. v. J. 884, 51, Bijbl.; R. W. v. N. 551.

2141. Indien huurder en verhuurder overeenkomen, dat de huurder vóór of op zekeren dag van ieder jaar de huur moet betalen zonder eenig voorbehoud en dat bij gebreke van betaling de buur zonder eenige formaliteit van procedure zal ophouden en de bewoner het gehuurde zal verlaten op bloote aanzegging, dan

Sluiten