Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

crediteuren door eenige handeling" is niet een feit, doch eene gevolgtrekking uit feiten en kan derhalve niet door getuigen worden bewezen. — Rechtb. Haarlem 7 Juni 1898; W. 7174.

602. Voor getuigenbewijs is niet vatbaar het handeldrijven en détail; wel zal door getuigen kunnen worden bewezen het herhaaldelijk in het klein verkoopen en leveren van goederen. — Hof Arnhem 27 December 1899; W. 7456.

603. „Het niet bezorgen van een fonds" is op zich zelf niet aan te merken als een feit, dat door getuigen kan worden bewezen. — Rechtb. 's-Hertogenbosch 10 Februari 1905; W. 8246. .

604. De vraag of de overdracht van onroerende goederen is een inbreng in

eene naamlooze vennootschap of wel eene overdracht onder bezwarenden titel betreft het onderzoek, welke overeenkomst feitelijk tusschen partijen is gesloten en dat is eene daadzaak, waaromtrent getuigen uit eigen bevinding en waarneming kunnen verklaren. — H. R. 16 Maart 1906; W. 8353; P. v. J. 1906, 530; W. v. N. R. 1901; N. R. CCII, 397; N. M. v. H. XVIII, 81; P. W. 9978.

605. Getuigenbewijs kan niet worden opgelegd omtrent iemands bedoeling om een ander te beleedigen; zoodanige

bedoeling is eene gevolgtrekking cioor den rechter uit feiten te maken. — Kantong. Rotterdam II 12 October 1908; W. 9078.

606. Getuigenbewijs kan niet worden toegelaten, waar het geldt de uitlegging eener overeenkomst. — Rechtb. Rotterdam 8 Januari 1906; W. 8505 en 8506.

607. Welke bij het sluiten eener

overeenkomst de onuitgesproken bedoe¬

ling van partijen was, kan niet door

getuigen worden bewezen. — Kantong. Amsterdam IV 8 Juli 1910; W. 9048; R. B. A. II, 16/17.

608. Er kan geen sprake zijn van het als bewezen aannemen eener oordeelkundige inpoting op grond van eene door een getuige medegedeelde meening of gissing bij redeneering opgemaakt, nu de bij het vonnis als bewijsmiddel gebezigde en daarin opgenomen verklaring zelve van eene door den getuige waargenomen oordeelkundige inpoting niet gewaagt en zoodanige inpoting blijkens het vroeger overwogene door den rechter is aangenomen bij gevolgtrekking uit feiten, die op waarneming kunnen berusten. — H. R. 24 Maart 1910, concl. conf; W. 9007; P. v. J. 1910, 953; N. R. CCXIV, 313.

609. Er blijkt niet, dat in burgerlijke zaken de verklaringen van getuigen de auditu uitgesloten zouden zijn. — H. R. 13 Juni 1884; W. 5049.

610. De rechter mag het verzoek om »een ter zake dienend en afdoend feit

door getuigen te bewijzen, niet afwijzen alleen, op grond, dat het feit niet in de dagvaarding is vermeld. — H. R. 2 November 1888; W. 5632; P. v. J. 1888, 138. Anders Rechtb. Amsterdam 27 Maart 1888; P. v. J. 1888, 109.

611. Door getuigen kan niet worden bewezen, dat eenige handeling in een toestand van onbewustheid is verricht. Het bestaan van zoodanigen toestand moet door den rechter, desnoods voorgelicht. door deskundigen, uit van elders bekende feiten worden afgeleid. — Rechtb. Utrecht 26 Februari 1890; W. 5870; P. v. J. 1890, 28.

Sluiten