Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een niet door hem, aan wien dé eed opgedragen wordt, verrichte handeling betreft, terwijl de eerste alleen behelst een handeling, waaruit geen bindende rechtsband ontstaat, is in zijn geheel ontoelaatbaar. — Rechtb. Tiel 15 October 1880; W. 4590.

1169. Indien de beslissende eed is opgedragen „dat overeenkomstig een gemaakte overeenkomst iets niet is gedaan", ontneemt de onwetendheid van hem, die den eed zweren moet, omtrent het feit of zijne' werklieden het soms gedaan hebben, terwijl hij hun geen contraorder had gegeven, aan de daad waarover de eed is opgedragen, niet het persoonlijk karakter. — Rechtb. Rotterdam 30 Juni 1880; P. v. J. 1880, 37, Bijbl.

1170. De eedsopdracht aan een firma moet ten name van den vennoot die gehandeld heeft, worden gesteld. — Rechtb. Amsterdam 6 April 1880; N. R. B. 1881, A. 140.

1171. Waar een firma in liquidatie, vertegenwoordigd door den liquidateur, in rechten optreedt, kan aan een voormalig lid der firma geen decisoire eed worden opgelegd. — Rechtb. Amsterdam 5 April 1887; P. v. J. 1887, 21, Bijbl.

1172. De bestuurders eener rechtspersoonlijkheid moeten, bepaalde feiten in rechten stellende, de waarheid daarvan kunnen beëedigen; evenals ieder procesvoerende partij moeten zij geacht worden met datgene wat door hen beweerd is, persoonlijk bekend te zijn; mitsdien kan omtrent zoodanige daadzaak, als zijnde persoonlijk verricht door de partij aan wie de eed wordt opgedragen, namelijk door het zedelijk lichaam, zelfs krachtens dit artikel aan zijne vertegenwoordigende bestuurders,

de eed worden opgedragen. — Hof Amsterdam 10 December 1897; W. 7094.

1173. Een beslissende eed betreffende ' eene transactie met eene vennootschap

onder firma tot stand gekomen kan niet worden opgedragen aan firmanten, I voor wie die transactie niet is een persoonlijk feit. — Hof Amsterdam 23 December 1910; W. 9174.

1174. Als de daad waaromtrent de eed wordt opgedragen, wordt voorgesteld als de daad van beide partijen, moet de eed zoodanig zijn gesteld, dat hij ook ingeval van terugwijzing beslissend blijft. — Rechtb. Amsterdam 5 October 1888; W. 5643; P. v. J. 1888, 152.

Art. 1969.

1175. De decisoire eed bij vonnis ! opgelegd, mo, t als niet afgelegd worden ! beschouwd, indien de partij, die hem

moet afleggen, ofschoon oproepingen over j en weer ontbreken, ten bepaalden dage afwezig blijft. — Kantong. Terborg 9 Augustus 1877; N. R. B. 1881, A. 155.

In denzelfden zin Rechtb. Amsterdam 11 Juni 1889; W. 5740.

1176. Indien hij, aan wien de beslissende eed is opgedragen, zich slechts bepaald heeft om het decisoire karakter te bestrijden, moet hem, als de rechter den eed beslissend oordeelt, nog gelegenheid gegeven worden om zich te verklaren of hij dien eed wil afleggen of terugwijzen. — Rechtb. Amsterdam 18 Maart 1880; W. 4561.

1177. Die zich over een opgedragen eed niet verklaart, moet geacht worden, dien te hebben geweigerd. — Rechtb. Amsterdam 13 Maart 1888; P. v. J. 1888, 108.

In denzelfden zin Rechtb. 's-Hertogen-

Sluiten