Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij ontelbare uitspraken van den Zaligmaker, die alleen natuurlijk kunnen verklaard worden, als men aanneemt, dat Hij, evenals de Vader, waarachtig God is. Niet alleen Mozes en Elias, David en Salomon, maar ook Joannes den Dooper, ja, zelfs de engelen overtreft Hij in waardigheid. Deze verheven geesten zijn niet alleen de engelen zijns Vaders, maar ook de engelen van den Zoon des menschen, die door Hem als dienaren worden uitgezonden (Mt. XIII, 41), en die bij het laatste oordeel Hem als hofstoet zullen omringen (Mt.

XXIV, 31).

Hij eischt voor zich, wat nooit een zuiver mensch eischen kan: geloof, offer van alle genegenheden, die Hem niet welgevallig zijn, ja, zelfs het offer des levens (Mt. XVI, 24, 25).

Met betrekking tot de Oude Wet stelt Hij zich op één lijn met den goddelijken Wetgever van Sinaï: „Gij hebt gehoord,

dat tot de Ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan

Doch Ik zeg u: al wie zich vertoornt op zijn broeder, zal schuldig zijn voor het Gerecht". Mt. V, 21, 22.

In eigen naam, uit eigen macht geneest Hij de zieken, verdrijft Hij de duivelen, gebiedt Hij aan de natuurkrachten. Hij geeft aan zijn leerlingen de macht, om in zijn Naam en door zijn kracht wonderen te verrichten. (Mc. III, 15; Mt. X, 1; Lc. X, 17; Act. III, 6). Hij vergeeft de zonden en geeft ook aan de Apostelen dezelfde macht. (Mt. XVIII, 18).

Hij zal als Rechter ten oordeel komen (Mt. XXV, 31). Hij zal den H. Geest over de Apostelen zenden (Lc. XXIV, 49). Al deze buitengewone dingen vinden een natuurlijke verklaring, als men aanneemt, dat Christus de Zoon van God is, en waarachtig God, evenals de Vader !).

b. Christus zelf heeft bovendien uitdrukkelijk getuigd de Zoon Gods te zijn.

Toen Petrus zijn geloof in Christus' Godheid beleden had met de woorden: „Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God"! (bl. 186), werd Hij door Christus zalig geprezen. Petrus belijdt, dat Christus de natuurlijke (niet de aangenomen) Zoon Gods is. Dit blijkt duidelijk uit het ant-

') Zie Lepin, p. 267—280.

Sluiten