Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slang als dier is er geenszins ellendiger, dan tal van andere dieren aan toe. Ja, als de slang kruipt, dan is ze juist in haar element en het kruipen kan dus niet als een gevloekte toestand worden beschouwd, ook dan zelfs niet, wanneer de slang vóór den val een anderen lichaamsvorm mocht gehad hebben, want daar heeft ze, dier als ze is, geen bewustzijn meer van. Betrekken we de woorden: „vervloekt zijt gij onder al 't vee en al 't veldgedierte" op den Satan, dan verdwijnt die moeilijkheid. Zij drukken dan uit, dat de duivel een vervloekte onder de wezens is en dat hem een ellendige toestand is opgelegd.

Men zou kunnen tegenwerpen, dat Satan reeds vóór de verzoeking der menschen in een ellendigen toestand en reeds een gevloekte was, omdat hij een gevallen engel, een duivel was. Maar daartegen kan aangevoerd, dat Satan krachtens zijn Schepping een engel was en het dus naar zijn oorspronkelijken aard was geen vervloekte te wezen en niet in een ellendigen toestand te verkeeren. Wanneer in Gen. 3 : 14 de duivel vervloekt wordt, dan past dat zeer wèl, want hij was goede engel geweest en had door de verzoeking in 't Paradijs getracht den mensch van God af te trekken en daardoor zijn eigen macht te vergrooten. Daarvoor wordt hij nu vervloekt en tot een ellendige onder de schepselen gesteld.

Wij zien natuurlijk bij de slangen, dat ze op hun buik zich kruipend voortbewegen, maar de woorden: „Op uw buik zult gij gaan" kunnen evenzeer als vernedering uitdrukkend op den Satan worden toegepast. Dan behoeft men niet zijn toevlucht te nemen tot onderstellingen als deze, dat de slang vóór den val een andere gedaante had of dat ze zich tijdelijk tot een anderen bewegingsvorm verheven had. De Satan wordt dan hier vernederd tot een ellendigen bestaansvorm, een verachtelijke bestaanswijze, zooals kruipen op den buik een verachtelijke wijze van beweging wordt geacht.

De zegswijze „Stof zult gij eten" treft men in de Tell-el-Amarnabrieven aan. In den brief van de stad Irqata aan den Pharao, leest men in r. 31—36 het volgende: De koning, onze heer, hoore naar de woorden van zijn getrouwe dienaren en geve geschenk aan zijn dienaar, terwijl onze vijanden toezien en stof eten". Stof-eten" wordt daar dus van menschen gezegd en het beteekent, volgens het verband, naar het ons voorkomt, „niet-krijgen, wat naar aard noodig is". Deze verklaring van die zegswijze past goed bij Jes. 65 : 25, waar staat: „De wolf en 't lam zullen tezamen weiden en de leeuw zal baksel eten en de slang zijn spijs zal stof zijn. Niet zullen zij kwaad doen, noch zullen zij verderven op geheel mijn heiligen berg, zegt de Heere". Hier moet krachtens 't verband „stof-eten" als een werkelijk eten worden opgevat „De wolf zal gras eten, de leeuw haksel" is in de beeldsprakige beschrijving bedoeld als werkelijk eten, maar daarom is dan ook het stof-eten door de slang als werkelijk eten te beschouwen. Doch graseten is niet naar den aard van den wolf en haksel-eten is niet naar de natuur van den leeuw en stof-eten niet naar den aard der slang. Hun aard is vleescheten en daarom verderven, dooden en aldus kwaad doen. Zij moeten immers om vleesch te eten en alzoo naar hun aard te leven andere dieren dooden. Hun aard is dus in deze bedoeling anders, dan zooals in Jes. 65 : 25 beschreven wordt en zij krijgen in deze bedeeling, wat zij naar hun natuur noodig hebben, zoo de slang vleesch. Zij eet dus in deze bedeeling geen stof, dat niet naar haar natuur is. Hierbij dient in 't oog gehouden, dat stof-

Sluiten