Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo menig woord, dat beter niet gesproken of geschreven was, als w\j zien op wat wij nalieten, dan wordt dat bewustzijn van ontrouw wakker, dat ons neerbuigt en ons de belijdenis van den Psalmist doet stamelen: „Tegen TJ, o God, tegen U alleen heb ik gezondigd". Want, is dat niet de ellende, het tijden van ons leven, dat wij altoos worstelen en telkens weer vallen; dat wij niet zqn wat wij zijn moesten; is dat niet wat ons tot wanhoop zou brengen, als er niet was een helpende hand, die den gestruikelde ophielp; als er niet was genade, die ons werd gereikt?

Niet met hoog gevoel vol trots, niet met zelfverheffing maar vol ootmoed zien wq terug en de bede slaken wq: „Vergeef ons onze schuld", wq waren ontrouw.

Spreekt van zulke ontrouw ook niet ons leven naar buiten? Ons leven in ons gezin, in onze omgeving, in en voor ons volk, ons leven in de wereld? Dat leven openbaart immers wat er in ons is. Alleen als er stoom is in de machine, kan zq' kracht uitoefenen; alleen als er ziel is in ons leven, gaat er invloed van uit. Is het innerlijk met ons niet in orde, staan wq niet recht voor God, dan openbaart ook ons leven naar buiten zqn zwakheid. Immers van wat wq zqn voor God, hangt af wat wq zqn voor de menschen, of wq hebben moed van overtuiging, liefde tot offer, kracht om pal te staan. Kennen wq niet den levenden God als den achtergrond der dingen, den Heilige, den Rechtvaardige, den Onveranderlijke, ook in liefde, wq worden in den maalstroom der verwarring medegesleept en wq hebben geen houvast.

Dan ontbreekt ons de blijmoedige kracht om te dragen, óók het onbegrepene, om te arbeiden tegen den stroom in.

En wie kent geen zwakke uren, geen tijden van moe-

Sluiten