Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Mag sommigen uwer allicht bevreemden, dat de Paulinische, door Luther beaamde disqualificatie der menschelijke wijsheid in uw midden geen onvoorwaardelijk veto ontmoet. Luther zelf, dat stelle ons gerust, was wijs genoeg, om de waarde van het intellect te weten. Zijn medestudenten te Erfurt noemden hem reeds den„Philosoph"; hij beheerschte de scholastieke problemen en was slagvaardig in 't dispuut 1). Occamwas zijn „Lieber Meister" geweest. Maar niet alleen wraakte hij het denken als middelaar des heils; hij wist maar al te goed, dat er geen denken is zonder gelooven. Denkers zonder geloof zijn ondenkbaar. De theoretische rede, onderworpen als ze is aan haar eigen wetten, eerbiedwaardig in haar gewetenswerk, heeft op zichzelf beschouwd geen vertroosting voor 's levens nood. Hier vlucht de denker tot de practische rede. Abélard, Duns Scotus, Kant, zij zoeken in hun kritiek geen ondennijning, maar vrijmaking van den weg tot geluk. Voor den kritischen geest beperkt zich de mogelijkheid, om met de dwaling te worden verzoend. Maar het primaire kan ook voor hem ten slotte niet zijn wat „geweten" wordt. De klacht van Faust, die nog iets verder denkt dan Socrates en weet dat wij niets kunnen weten, wat is zij anders dan een nog ongeweten heimwee naar de wijsheid der dwaasheid van het kruis?

Toch, Faust zou dat heimwee niet zóó hebben gekend, wanneer hij niet „leider auch Theologie" had gestudeerd. Luther zou zijn theologie des kruises niet hebben gebouwd, als hij niet monnik was geweest, als hij de middeleeuwsche mystiek niet had doorvorscht en het goede ervan behouden, als de weg der werken ook hem niet Hef was geweest. Paulus zou in zijn wijsheid zijn omgekomen, als hij den Meester in zijn jongeren niet had vervolgd. Via crucis via lucis! Zoo mag de oude Adam in ons, die nog knielt voor „Aristoteles", die nog den omgang zoekt met de ratio, met „fraw Hulden, des teuffels braut" 2), dus hopen, dat hij van die bekoring vrij wordt en straks lacht om wat hij heeft vereerd. De kentering

i) Cf. Hans von Schubebt, Grosse christliehe Persönlichkeiten, 1921, 139. *) Aldus Luther in Wider die himmlischen Propheten, von den Bildern und Sakrament, 1526. Cf. Weimarer Ausg., XVIII, 205.

Sluiten