Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten zijn veel rijker ontwikkeld en stellen hen tot veel meer in staat. Zij kunnen nesten bouwen, verre vluchten maken, hun jongen verzorgen. Maar anderzijds draagt juist dit instinctieve kunnen een zeer beperkt karakter. Er is geen ontwikkelingsmogelijkheid in, die juist in het kind zo rijk aanwezig is.

De tweede levensphase

De nieuwe levensphase is gekenmerkt door een ontwikkeling die veel meer gericht is op de verovering van de buitenwereld. Wij zagen, dat er in het eerste levensjaar zeker ook een activiteit in de ontwikkeling is, maar deze is meer gericht op de instandhouding van het eigen biologische leven. Daarna pas, wanneer hier een zekere stabiliteit bereikt is, begint de ontplooiing zich meer naar buiten te richten. Er komt een instelling op het leven tot stand, die zich in het spreken en handelen uit. In deze functies biedt vooral het gaan lopen de mogelijkheid tot een verruiming van de ervaring en tot de uitoefening van invloed op de gang van zaken. De activiteit kan zich richten op de werkelijkheid daarbuiten. Volgens Müller-Freienfels was eerst de wereld waarin de baby leefde vooral een gevoelswereld; nu komt meer de objectieve wereld tot het kind, het leert de dingen in hun werking en hun invloed kennen, als werkelijkheid, en het kan ook zelf zijn invloed doen gelden.

Dit uit zich in een sterk naar buiten gerichte activiteit. Vooral de bewegelijke kleuters kunnen hun lust tot verkennen botvieren. Overal grijpen ze naar, ze willen alles hebben om te kunnen beheersen. Door het lopen verandert de wereld totaal, nog op een intensievere wijze dan voor de volwassen mens het wereldbeeld door de leer van Copernicus veranderd werd. Het staan en gaan geeft het kind in de letterlijke zin van het woord een zelfstandigheid, een mogelijkheid om op zichzelf te staan, die ongedachte perspectieven voor hem opent. Wel is waar zijn deze perspectieven voor de volwassene nog van zeer klein formaat

Sluiten