is toegevoegd aan uw favorieten.

Het jaar twee duizend vier honderd en veertig. Een droom.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIER HONDERD EN VEERTIG. 97

inde zielen weergalmde, vervulde die met eenen diepen fchrik. Ik zag de burgers treurig uit hunne huizen koomen, tot hunne buuren fpreeken, de handen ten hemel heffen, fchrcijen en alle blijken van de hevigfte droefheid geeven. Ik vroeg eenen hunner waarom men die doodklok luidde en welk ongeluk 'er gebeurd ware ?

Een der verfchrikiijkfte, andwoordde hij mij al zugtende. Ons gerecht is genoodzaakt van daag eenen onzer medeburgeren te veroordeeien om het leven te verliezen, dat hij zig onwaerdig gemaakt heeft door zijne handen in het bloed van zijnen broeder te doopen. Het is meer dan dertig jaaren geleden dat de zon zulk eene wandaad niet befchenen heeft; zij meet, voor de dag ten einde is, geboet worden. Ach! wat heb ik traanen vergoten over de woede, waartoe blinde wraakzugt vervoert. Hebt gij gehoord welke misdaad 'er eergisteren avond bedreven zij . . . o droefheid! het is dan nog niet genoeg dat wij eenen waaren burger verloren hebben, de ander moet ook den dood ondergaan Hij mikte Hoor, hoor het verhaal van

de droevige gebeurtenis, die alles in rouw dompelt.

Een onzer medeburgers van een bloedrijk temperament, haastig van aart, maar die egter deugden bezat, beminde fmoorlijk eene jonge dogter, welke hij op het punt was van tot zijne vrouw te verkrijgen. Haar karakter was zoo zagt als dat G van