is toegevoegd aan uw favorieten.

Florentin van Fahlendorn.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 4D

cp welke lk daar na toe zwom. — Ginds ftraalde de Zon" op" ons neêr. — ft! Dagt ik: gij beminnelijke Menfchenvrlendin ! gij vergezeld ons met uw alomtegenwoordig licht, en met uwe alles verlevendigende warmte! — Die u gefchapen heeft, Is nog alomtegenwoordige^, dan gij! — Gij befchijnt thans even zoo mijne lieffte Vrienden, ginds, daar zij in hunne kamers zitten, en met zwaarmoedigheid op uw licht ftaaren, 't geen gij door de glasvenfters op de vloeren neêrwerpt; — misfchien ploegen thans mijne Vaders aan den fchuinfen Bergkant, nabij het groene Bofch, of naait de bloemrijke Weide , en fchreijen over mij I intusfchen ploeg ik met mijn .gevaarte den Oceaan, en zaaij traanen! — Dan zag ik over de ■wijde watervlakte heen, en heel onbekende gewaarwordingen doordrongen mijn binnenfte. — Een onafzienlijk graauachtig groen (pegel vol beweging! cn kleine golven bedekten hem geheel, en trokken, onder het zagtè; waaijen des Ooltenwinds, van de Hollandlche: naar de Engelfche Kuiten heen ; zij kfotzltènj tegen het Schip, en vergoedden ons, door haar dof geklap, het blijde kwetteren van 1 Woud. — Ik keerde mij tot mijnen Vriend Schmid, en zeide met traanen in-de; oogen

Vriend