Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GESCHIEDENIS

zichzelven en anderen poogt te bedekken; by heeft het hart niet om zich maar aan zichzelven als zondaar, zoals hy is, te vertoonen.

't Is niet minder onbepaald, wanneer men deeze aan de menfchelyke natuur verknochte zinnelykheid met eenen aangeborenen algemeenen trek tot het kwaade, en met een evenzo algemeen onvermogen tot het goede, vermengt: geen mensch moest dan van natuur een goedhartig, welwillend, redelyk, rechtvaardig , gemaatigd mensch kunnen zyn; en wie bezit zulk eenen duisteren en zwaarmoedigen geest, dat hy zich de menschheid van zulk eenen zwarten kant zou kunnen voorftellen ?— De mensch, zeggen onze geloofsboeken, kan van natuur een goed regent, een goed huisvader en burger zyn (*). — Tot hoe veele goede, menschlievende, en edele daaden is de mensch niet bekwaam, niettegenftaande hy aan zyne zinnelyke neigingen alle heerfchappy over zich veroorlooft? Zelfs kan de ondeugd, die den verdorvenften mensch gelyk een dier beheerscht, het vermogen tot het goede zó geheelënal in hem niet verdooven, dat hy tevens geen getrouw en vlytig arbeider in zyn beroep, geen goed huisvader, geen werkfaam vriend, geen rechtlievend mensch, zou kunnen weezen. Een algemeen kwaad mensch ware de grootfte misgeboorte in de natuur. Zelfs die enkele hartstocht, door welke hy tot

het

(*) Zie de Apologie der Augsburgjche Confesjïe.

Sluiten