is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerredenen, over het leven van David.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 84 )

fchappij, welke van veelen verworpen wordt, tot hun eigen verderf. Doch van de vroome omhelsd, 't Welk hen iterk verplat, en krachtig vertroost. Vil.482—485. Hetgeen hier, aangaande de vijanden gezegd wordr, geeft den zondaar een akelig vooruitzicht, maar den vroomen blijden troost VIL 486. 487.

LXXXIV. Leerrede. 2 Samue/s XXIU. 1-7.

Vervolg van nuttige overdenkingen. VIL 488. volg. Die met wijsheid fpteekc, begeert met reden , verftandige hoorders. Omdat, gelijk het gehemelte de fpijze fmaakt, de ziel, door middel van het oor, kennis verkrijgt. Waar bij oplettendheid vereischt wordt. QJob XXXIV. 2. 3 ) Gelijk omtrent andere zaaken, zoo bezonder omtrent Godlijke. Davids laatfte woorden gehoord hebbende, kunnen wij, bij verder nadenken , er uit opmaaken. Dat David een ziekbedde gehad heeft. — Als ook het'gebruik van zijn veiftand en fpraak. 491—493- Dus hebben wij zijne laatfte woorden. De laatfte woorden van ftervende. vroomen verdienen opmerking. Vooral die van David. 493~495- wiJ zien uit dezelve, dat hij ontflaapen is, in dankbaare erkendtenis van 's Heeren gunstbewijzen. Waar toe hij reden had. Gelijk ook ijder ftervende Godvruchtige heeft. Vooral wegens geestlijke zegeningen. Waar toe ijder vroome, maar David inzonderheid, reden heeft. 496—498. Ook ontflaapt hij in geloofsomheizing van den Mesfias. Het welk geen klein voorrecht is. 500. 501. Ook fterfc hij in geloof op de Godlijke beloften. Een fterven, dat God verheerlijkt, troostlijk is, en nuttig voor veelen. 502. Ook fterft hij met genoegen in God. Het welk hij nadtuklijk verklaart. 503-505. Dus fterft hij getroost. En niet tegenftaande hij de tegenkanting der vijanden voorzag, in volle verzekerdheid, dat hunne magt zou verbrookêii worden. 506. 507. In dit gemoedsbelkan bereidt zich David tot fterven; des, tot de grootfte verandering. En zulks gemoedigd op zekere gronden. . VII. 506—509.

Hier mogen wij leeren, hoe zich tot fterven te bereiden. En wel, ons zeiven te vraagen, aangaande ons ziekbedde, aangaande onze gezindheid , en hoe wij verkeeren omtrent Gods Woord; vooral pmtrenj; Jefus Christus; en het verbond. VII.509—511, Zullen wij zalig fterven, wij moeten in dit leven naar den Heere hooren; die ons tot zich ia zijn verbond roept. 511. 512. De vroome moet, waakende

te-