is toegevoegd aan uw favorieten.

De vrolyke zanggodinnen, of Mengelwerk van vernuft

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FABELEN EN VERTELZELS. 113

Een' Ezel, hem onnut, in Steê wou gaan verkoopen. Maar, dagt hy, zoo het beest den langen wegmoet loopen,

Van 't dorp af heel tot aan de Stad ,

Dan komt het daar gantsch afgemat.

Men zou 'er minder prys voor geven. Die vrees kwam in hem op. Hoe heeft hy haar verdreven? Hy flrikt de pooten vast, en hangt het aan een (tok ; Hy buigt , gelyk zyn Zoon , zyn fchouders onder'tjok; En leende de Ezel hun van tyd tot tyd zyn beenen,

Zy willen hem de hunne Ieenen.

Zy tremlen dus al zoetjes voort.

Welhaast komt hun een man aan boord ,

Die zei : wat fpel wordt hier bedreven- ?

Wat mensch zag immer, in zyn leven,

Een lompen Ezel dus Vereerd ?

Hier is de waereld omgekeerd.

Kees, fprak de Vaar, 't moet zyn beleden:

Hy heeft gelyk: hy fpreekt met reden- :

Maak los den Ezel, laat hem gaan. 't Gefchiedt : hy met zyn' Zoon volgt zagtjes agteraan. Een korten poos daarna komt hun een tweede ontmoeten,

En met dit kompliment begroeten :

Wel goede luiden, waar zoo heen?

Heeft de Ezel letfel- aan zyn been ?

Of denk je niet om 't fehoenen (paren, Indien ge 't beest maar moogt bewaren f

Wel, ware ik in jè plaats, ik koos

Het dier te (luiten in een doos. Wel ? valt hier weer w«t op te vitten ? Zei Jaap: kom Keesje, kom: gaa jy op d' Ezel zitten.

Jy