is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76 T e.

TEMPERING, zie tem/er.

TEMS, z. n., vr., der, of van detems; meerv. temfen. Verkleinw. temsj'e. Anders teems, bij Kil. ook temst, fr. tamire, ital. tamigio. Eene digte zeef van paardenhaar, waardoor men menigerlei vocht laat zijgen, om het te zuiveren: is de melk al door de tem* geweest? Zamenftell. : temsrand. Kil. Voorts komt vm tems, oï teems, het werkw. temfen, leemfen, fr. tamifer, ital. tamiggiare, door eene tems gieten.

TEMSEN, zie tems.

TEN, zie te.

TENGER , bijv. n. , tengerder , tengerst. Teeder, rank, van lijf en leden: wat is dat kind nog tenger. Van hier tengerheid. Dit woord is misfchien door invulling van eene G gevormd van het lat. tener , ital. te nero.

TENOR, z. n., m., des tenors, of van den tenor; meerv. tenors , basterdw. , beteekenende eene der vier zangftemmen, dus naar het ital. tenore genoemd: hij zingt den tenor. Van hier tenorist. Zamenftell.: tenor ftem.

TENT, z. n., vr., der, of van de tent; meerv. tenten. Verkleinw. tentje. Een veld verblijf, van doek, of vellen : Frankrijk en Nederlant plagten aan eene tog, eene tent, te reeden. Hooft. U uit uw tent, ttw fchuilplaats , rukken. L. D. S. P. De tenten Ddoms , ende der Ismaëliten. Bijbelv. Indien ick velgen zou het [pannen uwer tent. Vono. Overdragtelijk: en hem een tent van waterwolken Jirekte. L. D. S. P. Voorts geeft men den naam van tent meermalen bijzonderlijk aan de Mozaifche ftichtshut: zijne tente heeft hij verfmetcn. D. Deck. Waer is de mantevinden, die in detente des Heer en verkeer en zal? VoljLenh. Week uit zijn tent; verliet den tabernakel te filo, L. D. S. P. Zamenftell.: tentdoek, tentenmaker , tentenmeesterhi) Kil. , hedendaags kwartiermeester , tentkoord , tentpaal, tentpen, tentfchuit, enz. Godstent, legertent, veldtent, enz.

Tent, nederf., eng. ook tent, fr. tente, ital. tenda, fp. tlenda, komt van het lat. tentorium, en dit van tende e, fpannen.

TENTEN, bedr. w., gelijkvl. Ik teutte, heb getent. h\ de heelkunde gebruikelijk, anders met een' basterduit-