Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fT. BEEL. lil. At'DBEl

j ] 4 <

t I

CO Plut. in Alcib. p. 199. fs) id. ibid. p. M0.

33° INLEIDING.

■, hemmen des volks wegdroeg, en door de gan'fche volksvergadering naar zijn verblijf, vergezeld werd, ontmoetede hem timon , de menfchenhaater bijgenaamd, en zeide, hem bij de hand vattende : „ houd moed, mijn zoon , gaa voord met u te verheffen , en ik zal eenmaal mijn genoegen over den ondergang der Atheners aan u verfchuldigd zijn (1)."

In een ander oogenblik van verbijstering , helde het gemeen de herftelling van het koningsschap ter zijner gunhe voor (2); maar daar het hem niet genoeg zou geweest zijn, enkel Koning te zijn , zou hem geenzins de kleene opperheerfchappij van Athenen , maar wel een wijduitgeftrekt gebied, het geen hem nog andere rijken had kunnen doen veroveren, gevoegd hebben.

In een gemeenebest gebooren, moest hij het zelve groot maaken, eer hij het aan zijne roeten onderwierp. Dit is misfchien het geleim dier luisterrijke ondernemingen, waarin rij Athenen betrok. Met de krijgsmagt der itheners zou hij andere volkeren hebben te >nder gebragt, en zij zelve zouden flaaven geworden zijn, zonder het te merken.

Zijne eerhe ongunst, welke hem in het be;in zijner loopbaan ftil deed haan , bewees eze waarheid, dat zijn geest en zijne ontweren al te uitgebreid voor het geluk van zijn

Va-

Sluiten