is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; Weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 53, 1938, no 18, 06-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6-5-1938

De Ingenieur no. 18. Algemeen gedeelte 18.

A. 181

Fig. 1. Friesche Wadden volgens opnemingen van 1879.

7°. alvorens den dam te maken eerst bevordering der

opslibbing; van den Toorn (± 1865). Bij Koninklijk Besluit van 16 October 1969 werd aan jhr. mr. P. J. W. Teding van Berkhout concessie verleend tot landaanwinning en bedijking van een gedeelte van het Friessche Wad. Het plan van Teding van Berkhout is in fig. 1 aangegeven. Eerst zou een rijzen dam geslagen worden vanaf het Veerhuis te Holwerd in de richting van den Korenmolen te Nes, vervolgens zou een oostelijke en een westelijke dam worden gelegd ter bevordering der aanslibbing in de tusschengelegen kommen. De dammen zouden % m boven H W komen, een kruinsbreedte hebben van 6 m en wederzijdsche taluds van 10 : 1.

Het eerste jaar zou worden besteed voor het opwerken van den middelsten rijzendam tot een hoogte van 0,30 m boven het wad; het tweede jaar voor het dichten van de kreeken ter plaatse van den oostelijken dam tot een hoogte gelijk aan die van het wad; het derde jaar was bestemd voor het verhoogen van den middelsten dam tot 0,60 m + wadshoogte en voor het dichten van de kreeken ter plaatse van den westelijken dam; het vierde jaar voor het verhoogen van den middelsten dam tot 0,90 m + wadshoogte en voor de verhooging van den oostelijken dam tot 0,30 m + wadshoogte. Alzoo voortgaande dacht men na het tiende jaar alle drie dammen tot H W gereed te hebben. Er werd daarbij verondersteld, dat spoedig daarna ook de opslibbing voldoende ver gevorderd zou zijn om tot bedijking te kunnen overgaan, zoodat in het zestiende of zeventiende jaar 16.000 ha goed bouwland ingedijkt zou kunnen worden. Het achttiende jaar zouden vijf uitwateringssluizen voor deze nieuwe landen worden gebouwd, het negentiende jaar zouden de wegen en bruggen in orde worden gemaakt. De totale kosten raamde men op ƒ 6.000.000; met de rente mee op ƒ 8.500.000. De Staat, de Provincie en aanliggende dijksbesturen zouden subsidie verleenen.

Bij een nog ruimeren opzet zou 27.000 ha worden gewonnen voor een bedrag van ƒ 9.300.000, of slechts ƒ 345 per ha. De westelijke dam moest dan worden gelegd ter plaatse als op fig. 1 is aangegeven.

Conrad, Stieltjes en Bolten (deze laatste was hoofdingenieur van de Prov. Friesland) wijzen er op, hoe gevaarlijk overstortingen zijn. Zal voorts de opslibbing met die

snelheid geschieden, welke de concessionaris verwacht? Bolten betwijfelt dit, doch Conrad acht, dat „de hoofdingenieur Bolten hier door een wat te zwaarmoedige bril heeft gezien"1): „Maar wat zal het schaden (vervolgt Conrad) indien men niettegenstaande de bezwarende kansen ondernemers vindt, die het toch durven ondernemen?"

Dat het schaden zou, ook voor 's Rijks schatkist, zou later wel blijken. De Tweede Kamer der Staten Generaal toonde zich minder gerust. (Voorl. Verslag n°. 4, zitting 1869—'70, n°. 139): „Die dam is, naar het oordeel van verscheiden deskundigen df te hoog, öf te laag. Volgens vroegere plannen van ingenieurs zou een geheel watervrije dam van veel grootere afmeting en krachtiger weerstandsvermogen, ook door steenglooiing, zijn gelegd." En verder: „Wanneer een lage dam niet buitengewoon hecht is gemaakt, ontneemt het overstortende water daaraan alle kracht, zoodat hij maar al te zeer aan doorbraak is blootgesteld. Nu weet men wel, dat het plan van het werk, zooals dit in de concessie is omschreven, althans gedeeltelijk op een vroeger advies van de hoofdingenieurs van den Waterstaat Conrad en Fijnje rust, maar nadat daartegen van de zijde van andere deskundigen ernstige bezwaren zijn geopperd, hadden die bezwaren althans eenige wederlegging van de zijde der regeering verdiend". Hierbij werd misschien te verstaan gegeven, dat het verwijzen naar den ondernemingslust van particulieren („laisser faire") nog geen wederlegging van technische bezwaren inhield.

Nadat de concessie gewijzigd werd in 1870 ving men in 1871 met het werk aan. De middelste dam zou thans, volgens de gewijzigde concessie, een kruinsbreedte van 34 m, een hoogte van 0,50 m beneden H. W. en taluds van 14 : 1 verkrijgen. Een geheel watervrije dam zou op te groote financieele bezwaren stuiten, daarom bepaalde men er zich toe, genoegen te nemen met een lagen, breeden dam, waaraan de overstortingen bij hoogwater wel weinig schade zouden veroorzaken. Evenwel maakte men voorloopig slechts een deel van dat profiel. De beide buitenste dammen bleven voorloopig geheel buiten beschouwing.

!) De slibafvoer van Rijn en Maas, die men aansprakelijk stelde voor de verwachte ophooging der Wadden, werd in dezen tijd nog sterk overschat.