is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 31, 1936, no 1091, 05-08-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZO ZIJN ONZE MANIEREN"

//

Daarover, over onze manieren, spreekt Olga Alsen in haar „Handleiding voor goede omgangsvormen".')

Kon haar vorig boekje „Vrouwenspiegel" mij niet bekoren, deze nieuwe uitgave heeft veel wat behartenswaardig, wat goed, wat scherp gezien is. Niet voor dwaze mensen met veel vrije tijd is het geschreven, zegt Olga Alsen, maar om door aangename omgangsvormen het leven prettiger voor elkander te maken. Zij zegt — en niemand zal de waarheid er van kunnen ontkennen: „Er is niet zo heel veel kennis en wijsheid nodig, om uit iemands manieren gevolgtrekkingen te maken omtrent zijn wezen en zijn geaardheid. De uiterlijke vormen Wortelen diep in het innerlijk."

Ja, wij bevelen dit boekje zeker aan, al eijn er hoofdstukjes in, die velen van ons Zouden kunnen overslaan.

Goed zijn b.v. de opmerkingen over tact en zelfbeheersing, over geestelijk evenwicht.

„De tactvolle mens beheerst in zekere zin het leven. Wanneer men moe is van het luisteren naar den schreeuwer en yerzet voelt opkomen tegen het drijven van den heerszuchtige, dan heeft het Woord van de tactvolle mens nog altijd de aandacht, ofschoon het niet zo heel luid klinkt en niet zo heel veel belooft. Maar het laat ons in onze waardigheid, het doet een beroep op ons gezond verstand en onze goede wil; het maakt ons op rustige wijze duidelijk, dat we niet anders en niet beter kunnen doen dan ons in moeilijke ogenblikken zo eervol mogelijk in het onvermijdelijke te schikken, — en ziedaar: de tact wint het alweer van luidruchtige grootspraak en belustheid op macht; zij is onweerstaanbaar en wij geven er ons gaarne aan over."

Aardig wijst de schrijfster op de mensen, die hun goede manieren afmeten naar de maatschappelijke positie van de personen, tot wie zij zich richtten. B.v. die eiken conducteur of chauffeur met

je en jij aanspreken en natuurlijk verwachten, dat die u tegen hen zullen zeggen, een zonderlinge vergissing, dat we niet tegenover iedereen goede manieren zouden moeten hebben. Zo b.v. de meneer, die wèl aan de aardige, goedgeklede z'n plaats in de tram aanbiedt en niet aan een andere vrouw, die met een zware mand beladen, eveneens moet staan. Neen, dat is evenmin aangeboren beschaving des harten.

Zo wijst het boekje op onderhoudende wijze ons elke keer op het feit, dat achteruitgang in manieren achteruitgang in

cultuur betekent.

zo zouden wij door kunnen gaan.

Maar wij zeiden het reeds: het boekje is zeer aan te bevelen.

is!

Geen echte beschaving.

Telefonitis

Tegen de fout van het vele praten komt het enige malen op — aangeraden wordt nu en dan een gehele dag niets te zeggen behalve dan ter beantwoording van rechtstreekse vragen.

Ook over sport vindt men er aardige opmerkingen in en als bijzonder vermakelijk trof ons het constateren van de zeker voorkomende nieuwe ziekte: „telefonitis", van de mensen, die altijd maar aan de telefoon hangen, die de telefoon misbruiken.

„Het is moeilijk — zo

schrijft zij — precies de waarde van elke technische verovering af te meten. De telefoon kan menigmaal redding en uitkomst brengen in gevallen, die vroeger hopeloos zouden geweest zijn. Daarentegen verlokt zij tot vele ontboezemingen, die zonder haar achterwege waren gebleven. Het eindeloze, nutteloze gepraat, dat de ziekte van onze eeuw is, heeft zij nog doen toenemen. Langs alle liinen eronzen dag en

nacht de woorden, en de daden, waar¬

door de wereld genezen moet, blijven

t."

Van juiste opmerkingsgave blijkt ook het hoofdstuk de kunst van kopen, en

l) Uitgave N.V. Leidse Uitgeversmij'. Prijs ƒ 1.20 en ƒ 1.90. Tekeningen van Wïlly Greve.

Zomer

Als het verlangen maar blijft

Het meest bezongen jaargetijde is zeker wel de lente. Ook de herfst heeft heel wat pennen in beweging gebracht. Er bestaan ook gedichten over de zomer, als alles in volle fleur en pracht is, — maar die gedichten zijn minder talrijk en ze spreken ons ook meestal niet zo direct aan.

De lente is het verwachten van het schone, dat komen zal. Dit verwachten kennen we gelukkig allen; misschien in zeldzame ogenblikken, maar die ogenblikken zijn er dan toch. In de lente voelen we de drang naar beter en schoner. In de herfst treft ons de weemoed om het weer verloren gaan van dat schone, we staan eerbiedig tegenover dit grootse sterven in bruin en goud.

Tussen het verwachten en het herdenken moet dan toch de tijd van vervulling, van de volheid zijn. Dan is het beloofde er immers; het is niet meer te wachten als in de lente; het is niet voorbijgegaan als in de herfst. Het is. —

Het is altijd en voor iedereen het moeilijkst geweest om in het heden te leven. We kijken bij voorkeur naar de toekomst of naar het verleden en we zijn gewend het heden te verwaarlozen, dat is eigenlijk min of meer een dood punt, waarvan uit onze gedachten voor- en achteruitgaan. Genieten van het heden is een kunst, die alleen kleine kinderen en misschien heel wijze mensen verstaan.1)

Maar — al zouden wij die kunst verstaan — zouden we dan nog wel volkomen kunnen genieten van de zomer, van het volmaakte, gerijpte en volop bloeiende? Is het genoeg, dat die zomer om ons is? De zomer om ons is wel in scherpe tegenstelling met de innerlijke gesteldheid van de wereld, er is weinig in ons, dat antwoordt op de volheid en het stralende licht van dit jaargetijde. We zijn geneigd te zeggen: de zomer ,ligt" ons niet. Op de lente antwoordt het verlangende in ons, op de herfst het heimwee en de weemoed. Maar op het stralendvolmaakte blijven wij het antwoord schuldig. Want noch in ons, noch in de wereld is dat volmaakte tot ontwikkeling gekomen. In oorsprong is het wel aanwezig, maar de rijpheid is nog verre.

We zijn misschien zelfs een beetje bang voor de zomer in al zijn uitdagende pracht, met zijn felle zon, die onze armoede zo onbarmhartig beschijnt. De zomer laat ons schril het contrast zien van zon en feest en weelde met dat wat er in onze wereld omgaat.

Het is voor ons nog geen zomer, nog lang niet. De mogelijkheid er toe bestaat

') Zou dit wel zo zijn? Genieten van het heden — wel, dat doet m.i. ieder, die maar een heel klein beetje wijsheid heeft verzameld. Red.