is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 31, 1936, no 1104, 04-11-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan ineens balkte hij en begon weer met zijn poot te krabben.

De boerin keek eens goed rond in de stal, maar nergens was iets bijzonders te zien. De boer bekeek en betasttte Grauwtje overal: „Er mankeert niks aan, vrouw," zei hij. Toen krabde nij 't beestje eens op de kop en klopte hem vriendelijk op zijn rug: „Nou nou, manneke!" Maar 't hielp niet; de boer en de vrouw begrepen er niets van

Nu was Grauwtje weer even stil, tuurde naar de staldeur, luisterde... „Hoor es, Gerrit-Jan," zei de boerin opeens, „wat is dat!"

Allebei keken ze nu, net als Grauwtje, naar de deur en spitsten ze, net als de ezel, de oren; van die kant kwam een raar geluid, 't Was net of er wat schuurde en krabbelde en tikte tegen hout. — Gerrit-Jan lichtte bij met zijn lantaarn. „Hier is 't niet," zei hij, ,,'t is buiten tegen 't luikje boven de deur. Maar hoe komt dat dicht, dat 's nooit zo. — Ga es mee, vrouw, we moeten er nou toch 't fijne van weten.'

Gerrit-Jan en de vrouw naar buiten En wat zagen ze daar

in de schemering: een kraai, die maar al tegen 't luikje aanvloog, er met zijn vleugels en poten langs schuurde, er tegen pikte met zijn snavel! „Hij wil er in, net zo zeker," fluisterde de boerin, „toe, Gerrit-Jan, doe jij 't luikje es open." — Dat kon alleen aan de binnenkant gebeuren. Allebei dus weer de stal in. Gerrit-Jan deed het luikje open — en jawel, dadelijk vloog de kraai naar binnen en dwars door de stal heen regelrecht aan op — Grauwtje! Daar zette ze zich heel kalm tussen de lange oren bij 't ruige haar op Grauwtje's kop, krauwde zich nog eens op haar gemak met haar poot, blikkerde eens rond met de felle oogjes, stak toen de kop in de veren en ging slapen.

En pas was de kraai er, of Grauwtje werd rustig. Tevreden stond hij, de kop heel stil, te wachten, tot de kraai klaar was. Toen deed hij zijn ogen dicht en ging ook slapen.

Gerrit-Jan en de vrouw hadden alles gezien, en een schik, dat ze er in hadden, dat kun je begrijpen. „Dat 's niet voor de eerste keer," zei de boer, toen hij weer met de vrouw aan de tafel zat. — „Nee, die kennen mekaar al lang," lachte de boerin: ,,'k wed, dat de kraai er morgen weer is, laten we nou oppassen dat het luikje open blijft."

En jawel, toen Gerrit-Jan en de vrouw, nu met de meid en den knecht ei bij, tegen donker de volgende dag in de stal kwamen, duurde 't niet lang, of daar had je 't: de kraai vloog door 't luikje de stal in, weer recht op 't ezeltje af, dat nu zonder te balken rustig had staan wachten. En weer ging de kraai zitten op Grauwtje's kop, en weer gingen ze samen slapen.

En precies zo gebeurde het avond aan avond. Nooit vloog de kraai naar 't paard in de stal, nooit naar één van de twee koeien — daar keek ze niet naar uit of om: bij Grauwtje moest ze zijn. — Kwam de kraai eens wat laat, dan draaide Grauwtje wel heel dikwijls de kop naar de staldeur, maar balken deed hij niet meer: 't luikje bleef altijd open nu. „Daar zal ik voor zorgen," zei de boerin, „dat ie niet zó hoeft te verlangen en te roepen om zijn vriendinnetje als die éne keer."

Hoe Grauwtje met een kraai zulke trouwe vrienden geworden was en hoe lang de vriendschap al geduurd had, dat heeft geen van beiden ooit verteld. Nu, als je vrinden bent, heb je wel eens een geheimpje, hè?

Henr. Dietz.

Uit: De Kleine Androcles.

DE KLEINE SCHIIAEMAN

Hei vo o^cVacirt