is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1188, 22-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plakte hem er meteen maar op. Leent je nam de brief mee toen zij naar school ging en toen zij hem in de bus zou stoppen, bekeek zij hem nog eens en zei:

„Dat is vreemd... ik dacht dat ik gisteren een andere zegel op de brief had geplakt... die was toch lichter van kleur..."

Ze begreep er niets van maar gooide de brief in de bus en dacht er niet langer over na... Maar Leentje kon ook niet weten wat er 's nachts gebeurd was. Dat weten jullie en ik alleen!

dJ

ILereo praten as moeilijk

Het is voor de kleine Bobble heel moeilijk, om zich 's morgens naar alle regelen der kunst alleen aan tè kleden. Hij wil door niemand geholpen worden en toch zijn er, o, zoveel dingen, die hij eigenlijk niet goed alleen kan doen. Dikwijls zit zijn blousje van onder tot boven scheef dichtgeknoopt, of wel zijn z'n laarsjes verkeerd geregen, maar wanneer hij het fout gedaan heeft en moeder hem dit laat zien, doet

hij het altoos zonder tegenstribbelen en natuurlijk alleen over.

Het grootste struikelblok is wel het tandjespoetsen en mondspoelen. Daarmede is hij nog vreselijk onbeholpen. Op een morgen zegt zijn moeder: „Nu zal ik het je maar weer eens wijzen, hè vent?"

Bobbie kijkt ernstig toe, hoe alles in zijn werk gaat, zegt dan: „O, dat is toch erg gemakkelijk" en begint zelf zijn tandjes te poetsen. Daarna neemt hij zijn kroesje, knoeit een beetje met water, slikt en proest een keertje of twee, drie en roept dan triomphantelijk:

„Is het zó goed, moes? Ik heb al drie watertjes uitgeslikken."

S. SALOMONS—SOUGET.

»

GOUDEN REGEN

Lange gouden gele trossen hangen er in dichte bossen als één grote goude kruin aan een boompje in mijn tuin. -

Als de zon haar helle stralen op die mooie boom laat dalen, lijkt het net, alof 'k soms droom bij die gouden-regen-boom.

(S. Salomons—Souget.)

OS

'T ZONNETJE!

Zonnetje, kom je even kijken? Kom je langs mijn haren strijken Met je warme, gouden stralen, Die weer naar de aarde dalen. Nu de wolken zijn geweken En gegaan naar verre streken?

Zonnetje, wil je bij me blijven? Laat je nu niet meer verdrijven! Hoor eens hoe de vogels fluiten! Zie eens naar de bloemen buiten! Wil je ons allen vast beloven, Dat je schijnen blijft daarboven?

J. I. H. MENDELS.

BIJBLAD VAN „DE PROLETARISCHE VROUW" VAN 22 JUNI 1938. No. 1188. ACHT EN TVVINT. JAARGANG No. 1069 VAN „ONS KINDERBLAADJE". VERSCHIJNT ELKE WOENSDAG. RED.-ADRES: P. C. HOOFTSTRAAT 144 HUIS, AMSTERDAM.

DE POSTZEGELMANNETJES

door NINA ROLAND.

Wisten jullie al dat er postzegelmannetjes bestonden? Eerlijk gezegd wist ik het ook niet, maar ik heb het ontdekt!

Het gebeurde midden in de nacht.

Leentje had een brief geschreven aan de redactie van het Kinderblad om te vertellen dat ze het blad zo mooi vond en dat ze er telkens heel erg naar verlangde. Ze las het altijd helemaal uit!

Leentje was nog heel klein en ze wist niet welke postzegel ze op die brief moest plakken. Ze keek lang in het doosje, waarin allerlei postzegels lagen, en eindelijk koos ze de mooiste uit. Het was een groene van drie centen, maar

dat wist Leentje niet zo precies, da&r had ze niet eens naar gekeken. Ze hield het meest van lichtgroen, dat was haar lievelingskleur en daarom plakte ze dat zegel maar op de brief. Toen ze klaar was zette ze de brief op de schoorsteen en als ze dan morgen naar school ging zou ze hem posten. Dat was ook al zo'n fijn werkje.

Leentje ging slapen en het werd helemaal stil in huis.

Toen de grote klok uit de gang twaalf langzame, diepe slagen had doen horen, begon het spektakel! In het postzegeldoosje schreeuwden alle zegels door elkaar. Ze zaten allemaal overeind en als je goed keek kon je zien dat ze nu kleine armpjes en beentjes hadden en hoofdjes! Dat kwam omdat het middernacht was, dan begonnen de zegels te leven! Hun armen en benen konden ze maar een paar uur gebruiken. Als de klok vier uur sloeg, zagen ze er weer uit als altijd. Dan verdwenen de hoofdjes en hun armen en benen, en waar ze dan bleven dat wisten de postzegels maar alleen, dat vertelden ze nooit aan iemand.

Wat toevallig dat ik nu midden in de nacht nog in de kamer was, nu kon ik alles horen en zien! Ik begreep al gauw dat ze ongerust waren over Groentje drie... die op de brief geplakt zat.