is toegevoegd aan uw favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 34, 1939, no 1232, 26-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nabeschouwing over de dienstbode-kwestie

De belangstelling in de dienstbodekwestie blijkt groot te zijn. Op het artikeltje van J. G. B.—D. in het nr. van 8 Maart reageerden velen. In de nrs. van 22 Maart, 29 Maart, 5 April, 12 April en 19 April plaatsten wij gedeelten van brieven, die over dit onderwerp ontvangen werden.

Dat de voorstelling van J. G. B.—D. eenzijdig was — men denke aan het woord „slavenziel" — werd door bijna alle inzendsters opgemerkt. Terwijl er ook eenheid bestond over de wenselijkheid van organisatie, trouwens ook erkend door de eerste schrijfster. Verder liepen de meningen enigszins uiteen, zij 't niet zo heel wijd.

Verscheidenen — zo niet de meesten — gaven de voorkeur aan een huishoudelijk beroep boven fabrieksarbeid, ook voor hun kinderen. Velen hadden pret¬

tige herinneringen aan de tijd als dienstbode doorgebracht; zij vonden de „mevrouwen" meestal niet onredelijk en het werk prettig.

Enkelen stonden meer op het standpunt van J. G. B.—D. en vermeldden slechte ervaringen, achtten het beroep van dienstbode uit de tijd.

Het zou natuurlijk onjuist en ook onvoorzichtig zijn nu de conclusie te trekken, dat de meeste vrouwen het beroep van dienstbode goed vinden — natuurlijk dan met behoorlijke arbeidsvoorwaarden, gegarandeerd door de vakvereniging. Ongetwijfeld hebben ook de anderen, al hebben zich niet velen geuit, reden voor hun afkerigheid.

Er was en er is nog in vele gezinnen een hinderlijke manier om de dienstbode te behandelen. Mevrouw is niet onbehoorlijk, spreekt niet ruw, „commandeert" zelfs niet, maar zij laat in alles en alles de afstand zien, die er h. i. bestaat tussen haarzelf en 'n dienstbode. De twee maatschappelijke klassen in één huis geeft dikwijls moeilijkheden.

En vooral, zoals één inzendster opmerkte, nu vele dienstmeisjes zelf beschaafd en ontwikkeld zijn (zij voegt er bij „of het moeten worden"), springt dit elke dag in 't oog, eigenlijk als iets, dat voortdurend prikkelt en onaangenaam stemt. In fabrieken en op ateliers komt dit natuurlijk niet voor, omdat daar de gewone huiselijke omgeving ontbreekt.

Maar daarom is het dienstbode-vak niet verouderd, evenmin als 't ooit vernederend was. Hier ligt echter de taak, die de dienstbode zelf heeft te vervullen: natuurlijk goede arbeidsvoorwaarden, natuurlijk beschikking over haar vrije tijd, natuurlijk waardering voor haar werk en voor haar persoon, waarop zij aanspraak mag maken. Waarschijnlijk zal in het éne gezin een meer zakelijke, in 't andere een meer vriendschappelijke verhouding de juiste zijn. En, nog eens, de Bond van huispersoneel, die vooral de verschillende kanten in 't oog moet houden, heeft op dit gebied een uitgebreid arbeidsveld. REDACTIE.

„Je kunt 't toch niet meenemen" op het witte doek en op de planken

Zelden zijn wij in de gelegenheid het verschil tussen film en toneel aan hetzelfde onderwerp te zien „gedemonstreerd". In de Paas-week werd te Amsterdam „Je kunt 't toch niet meenemen" op de planken èn op het witte doek vertoond. Wanneer men deze voorstellingen bezoekt, wordt men zich van dit verschil helaas weinig bewust: ook de film steunt op het woord inplaats van op het beeld. Men heeft niet op het gegeven een film-scenario gebouwd; men heeft aan de hand van het toneelstuk, het reeds uitgewerkte gegeven dus, een scenario geschreven. Het gegeven inspireerde niet tot een nieuwe bewerking, het werd een copy

Daarmede zou de film zijn afgedaan, als niet dat dolle gegeven zoveel dwaze situaties in zich bergt, dat men alle bedenkingen vergeet in de lach; en wat is in deze tijd, zeldzamer, bevrijdender en kostbaarder dan een lach?

Zowel het toneelstuk als de film geven een kort tijdsbestek uit het leven van een zonderlinge familie. Aan het hoofd staat Opa Vanderhof, die dertig jaar geleden met de lift naar zijn kantoor ging, waar hij bezig was zich een fortuin

te vergaren; boven gekomen ontdekt hij, dat hij genoeg heeft van het zakendoen, en dus liet hij zich in de lift weer naar beneden zakken om zijn verder leven te wijden aan zijn liefhebberijen: het bijwonen van promoties e.d. Hij betaalde al die jaren geen inkomstenbelasting, omdat hij „er niet in gelooft". Zijn familieleden leiden een zelfde bestaan: zijn dochter schrijft toneelstukken, omdat eens per abuis een schrijfmachine thuis werd bezorgd en haar man maakt in de kelder vuurwerk; een kleindochter danst en maakt caramels, terwijl haar man xylofoon speelt en opruiende spreuken drukt, waarin de caramels worden verpakt; verder is er een man, die lang geleden ijs kwam bézorgen en toen meteen maar gebleven is, een eeuwig hongerige Russische dansleraar en meer „aangespoelde" figuren. Een andere kleindochter die „normaler" is ingesteld, wordt verliefd op den zoon van een machtigen beursman, Tonny Kirby. De twee jonge mensen besluiten de wederzijdse families met elkaar in kennis te brengen. Zij spreken een avond af en het meisje tracht haar huisgenoten voor die ene keer „presentabel" en „aanvaardbaar" te maken; doch de jonge man vindt, dat men elkaar moet leren kennen, zoals men werkelijk is, en hij brengt zijn ouders een avond te vroeg in dit wonderlijke huishouden, juist op het tijdstip, dat iedereen zeer verdiept is in

zijn „werkzaamheden". De kennismaking verloopt dan ook allesbehalve vlot, en, wanneer alle ongelukken zijn gebeurd, die maar mogelijk waren, en de familie Kirby geschokt het huis wil verlaten, worden alle aanwezigen gearresteerd wegens het verspreiden van opruiende spreuken in dozen caramels en het zon! der vergunning in huis hebben van buskruit.

Natuurlijk komt tenslotte alles in . orde: Alice Siccamore en Tonny Kirby verloven zich; Pa en Ma Kirby worden in den huize Vanderhof opgenomen.

Voor het toneelstuk bevatte deze geschiedenis meer dan voldoende stof; de film moest, door haar veel sneller verloop, er een heel verhaal omheen maken. Zij betrok dit alles op een sociale basis, welke bij even nadenken in elkaar zakt. Het is echter niet de bedoeling, het publiek tot nadenken te brengen, maar om het te laten genieten van een snelle opeenvolging van geestigheden en humoristische situaties. De éne waarheid „Je kunt 't toch niet meenemen", waarin de onverschilligheid ten aanzien van het geld wordt uitgedrukt, dringt ook tijdens het lachen wel tot de toeschouwers door.

Kan men tegen zo'n film aanvoeren, dat üe huiskamer dezer familie door de camera wordt overgebracht als het toneel der handeling?

De regisseur Frank Capra, die zich een grote naam verwierf in het humoristische genre, maakte dankbaar van de stof gebruik en bracht ons een hoogst amusant geval, waarin zowel over de moeilijkheden des levens als over de goede kant luchtig wordt heengegleden.

Vergelijkingen tussen de Amerikaanse filmacteurs en de' Nederlandse toneelspelers trekken, is, hoewel verleidelijk, niet juist.

Men zal met beide handen de kostelijke gelegenheid aangrijpen tot een paar uren onbezorgd plezier. VISIE